In de blogreeks Inzicht in Omgevingsrecht benadrukten Jelmer Procee en Laura van der Meulen al dat gemeenten voor een flinke opgave staan bij de bestrijding van woningnood. Nadat het onderwerp ‘voldoende betaalbare woningen’ een belangrijk thema vormde van onder meer de gemeenteraadsverkiezingen van woensdag 21 maart jl., consulteert het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vanaf heden ook het wetsvoorstel ‘Wet voldoende betaalbare woningen’, dat vooral relevant is voor gemeenten. In dit blog verhelderen wij het wetsvoorstel voor u.

Aanleiding

In het Regeerakkoord is afgesproken dat gemeenten de mogelijkheden om sociale huurwoningen te verkopen ten volle moeten benutten, om zo voor de middengroepen meer woningen beschikbaar te krijgen. De partijen PvdA, GroenLinks en SP vrezen echter dat de bouw van nieuwe sociale woningen, met een huurprijs van ten hoogste € 710,68 per maand, het tempo van deze verkoop niet zal kunnen bijhouden. De komende jaren dreigen immers tien- of misschien zelfs honderdduizenden sociale huurwoningen te worden gesloopt of verkocht. Daar komt bij dat wachttijden van meer dan 5 jaar in met name de grote steden gebruikelijk zijn, de huizen lang niet altijd goed onderhouden worden en tegelijkertijd de aanname bestaat dat het aantal mensen dat in aanmerking komt voor een sociale huurwoning verder zal toenemen. Er is volgens de initiatiefnemers van de ‘Wet voldoende betaalbare woningen’ daarom sprake van serieuze woningnood. De wet moet ervoor zorgen dat een dergelijke daling niet meer zomaar mogelijk is en er voldoende betaalbare huurwoningen overblijven voor mensen met een kleine beurs.

Prestatieafspraken

Gemeenten, huurders en woningbouwcorporaties maken in overleg met elkaar prestatieafspraken: afspraken over de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid in de gemeente, naar aanleiding van de woonvisie van de gemeente en het activiteitenoverzicht van de woningbouwcorporatie. Uit de praktijk blijkt dat deze prestatieafspraken dalingen van de voorraad sociale huurwoningen toestaan. Door verkoop of sloop, zonder dat nieuwbouw of aankopen daar voldoende voor compenseren. Onderhavig wetsvoorstel stelt dat de uitkomst van de onderhandelingen over de prestatieafspraken in beginsel niet mag zijn dat het aantal sociale huurwoningen van de betrokken woningcorporaties afneemt. Sloop en verkoop zijn toegestaan, mits gelijktijdig maatregelen worden genomen om te garanderen dat er voor iedere verdwenen sociale huurwoning een nieuwe terugkomt. Dit kan zijn nieuwbouw, maar ook aankoop of anderszins. Op die manier blijft de voorraad op peil.

Wijziging Woningwet

De Woningwet stelt op dit moment geen eisen aan de uitkomsten van de onderhandelingen over prestatieafspraken. De ‘Wet voldoende betaalbare woningen’ stelt voor om in artikel 44 van de Woningwet een nieuw lid 4 in te voegen, op grond waarvan de prestatieafspraken als bedoeld in artikel 44 lid 2 Woningwet niet tot gevolg mogen hebben dat in een of meerdere van de betrokken gemeenten de sociale woningvoorraad van de corporatie afneemt. Op grond van de tweede volzin van dit nieuwe lid 4, kan de minister op verzoek van een corporatie besluiten dat lid 4 niet van toepassing is ten aanzien van een of meerdere gemeenten waar de betreffende corporatie werkt. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de minister bijvoorbeeld kan uitzonderen van de hoofdregel in geval van regio’s met krimp. Een dergelijke beslissing van de minister betreft een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, moet derhalve voldoen aan de in die wet gestelde motiveringsplicht en is vatbaar voor bezwaar en beroep.

Overgangsrecht

Onmiddellijke inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging zou ertoe leiden dat bestaande afspraken die tot stand zijn gekomen vóór het tijdstip van inwerkingtreding, direct moeten voldoen aan het vereiste dat met de nieuwe wetgeving aan die afspraken gesteld wordt. Dat zou leiden tot een aantasting van de rechtszekerheid van de betrokken partijen, die bij de totstandkoming van de afspraken op basis van de toen bestaande verwachtingen keuzes hebben gemaakt en posities hebben ingenomen. Daarom voorziet het voorstel met een nieuw in te voegen artikel 139 Woningwet in overgangsrecht, dat ertoe strekt om bestaande afspraken te eerbiedigen. In de praktijk kan het voorkomen dat er meerjarige afspraken gemaakt worden. Omdat ongewenst is dat dergelijke afspraken tot aan een onbepaalde tijd niet hoeven te voldoen aan het voorgestelde vereiste, zou op het bepaalde in artikel 44 lid 4 van de wet alleen mogen worden uitgezonderd in geval van afspraken over ten hoogste het eerstvolgende kalenderjaar.

Reacties naar aanleiding van de internetconsulatie kunnen tot en met 7 mei 2018 worden ingediend.

Raadpleeg hier de consultatiedocumenten (het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting).

Share This