Het regeerakkoord bevat de opgave om in 2030 een extra reductie van 4 megaton CO2-uitstoot te realiseren met windenergie op zee. Dit betekent dat het aantal windparken op zee de aankomende jaren aanzienlijk zal groeien. Om de uitrol hiervan te kunnen blijven ondersteunen, wordt de Wet windenergie op zee van 1 juli 2015 aangepast. Daartoe consulteert het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) tot 20 maart 2018 een wetsvoorstel tot wijziging. In dit blogbericht lichten wij voor u de belangrijkste aspecten van het wetsvoorstel toe.

Bevoegdheidsverdeling ministers

Met de beëdiging van het Kabinet Rutte III is een aantal bevoegdheden rond wind op zee bij andere en/of nieuwe ministeries gelegd. Zo zijn bijvoorbeeld taken en verantwoordelijkheden toebedeeld bij de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De wijziging Wet windenergie op zee verankert deze nieuwe bevoegdheidstoedeling.

Andere energiedragers dan elektriciteit

De aangekondigde verdere uitrol van windenergie op zee en het doorgroeien van de bijdrage van zonnestroom kan– nog los van het feit dat dezelfde ontwikkeling plaatsvindt in buurlanden zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Denemarken – leiden tot een groeiende behoefte om op grotere schaal energie op te slaan.

De wijziging Wet windenergie op zee beoogt een wettelijke grondslag te bieden voor andere energiedragers dan elektriciteit. Hierbij valt te denken aan ammoniak of waterstof. Het moet mogelijk worden om elektriciteit, opgewekt met windenergie op zee, om te zetten in andere – goedkopere – energiedragers zonder aansluiting op een net op zee of op het hoogspanningsnet op land. Het voorstel beoogt ook de mogelijkheid te creëren energie uit wind naar de kust of elders te vervoeren middels een pijpleiding of zelfs schepen, in aanvulling op elektriciteitskabels die nu gebruikt worden.

Procedures rondom vergunningverlening

Belangrijk doel van het wetsvoorstel vormt het wijzigen van de procedures rondom het verlenen van de vergunning, die vereist is om een windpark te mogen bouwen en exploiteren. Het gaat daarbij in het bijzonder over de verdeelmethoden die hiervoor kunnen worden gebruikt.

Op dit moment voorziet de Wet windenergie in een procedure die samenvalt met de subsidieverlening. Subsidie en vergunning worden toegekend aan de aanvrager die de minste subsidie vraagt. Deze procedure blijft onder de voorgestelde wijziging van de Wet windenergie op zee bestaan. Daarnaast voorziet de wijziging in een procedure voor de situatie dat er géén subsidie nodig is.

Als er in onderlinge concurrentie meer dan één marktpartij bereid is een windpark zonder subsidie te realiseren, ontstaat de vraag hoe te bepalen aan wie de vergunning voor het windpark wordt verleend. Er zijn verschillende manieren om hiermee om te gaan. Het wetsvoorstel maakt onder andere mogelijk dat naast het bestaande instrumentarium van de vergelijkende toets en de vergelijkende toets met financieel bod, in het vervolg ook gekozen kan worden voor de procedure van een veiling.

Voor wat betreft de procedure met vergelijkende toets, voorziet het wetsvoorstel onder meer in de mogelijkheid bij ministeriële regeling criteria uit te werken op basis waarvan vergunningaanvragen ten opzichte van elkaar kunnen worden gerangschikt. Op die manier kan extra gewicht worden toegekend aan op dat moment actuele aandachtspunten zoals natuur, aquacultuur, visserij, veiligheid of scheepvaart.

Bron: Consultatiedocumenten.

Share This