blog_omgevingsrecht_windturbineWindparken en hoogspanningsverbindingen worden vaak aangelegd in lege, weidse ruimten. Deze gebieden vormen in veel gevallen echter tevens de vliegroute voor vogels en vleermuizen. Hierdoor is niet uitgesloten dat door de aanleg van een windpark of een hoogspanningsverbinding aanvaringsslachtoffers ontstaan. Dit leidt tot juridische hoofdbrekens in verband met de Flora- en faunawet (Ffw). De recent gepubliceerde wijziging van het Besluit vrijstelling windparken en hoogspanningsverbindingen op land moet op dit punt uitkomst bieden.

Verbod artikel 9 Ffw

Artikel 9 Ffw verbiedt dieren die tot een inheemse diersoort behoren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. De aanleg en exploitatie van windparken en hoogspanningsverbindingen levert een risico op dat artikel 9 van de Ffw wordt overtreden, vanwege het risico op aanvaring door vogels en vleermuizen. Niet in de laatste plaats omdat uit rechtspraak volgt dat dit verbod ook ziet op incidenteel, niet opzettelijk doden.

Bij de planvorming rond windparken en hoogspanningsverbindingen levert artikel 9 Ffw vaak de nodige hoofdbrekens op. Toetsing op effecten van niet voorziene, incidentele doding van bepaalde vogels of vleermuizen is in de praktijk niet goed mogelijk. Hierdoor bestaat het risico op vertraging van de realisatie van de doelstellingen uit het Energieakkoord. Om dit te voorkomen, heeft de regering het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten aangepast.

Wijziging Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten: vrijstelling voor windparken en hoogspanningsverbindingen

Op grond van artikel 75, lid 1, Ffw kan bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van het verbod op het doden van dieren van een beschermde soort. Deze vrijstellingen zijn te vinden in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Daaraan heeft de regering nu een nieuw artikel, artikel 16ga, toegevoegd. Op grond van deze bepaling geldt het in artikel 9 Ffw opgenomen verbod niet langer voor het niet-opzettelijk doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten, indien die handelingen verband houden met de aanleg of exploitatie van een windpark of een hoogspanningsverbinding. Daarmee wordt nu aangesloten bij het beschermingsregime zoals is voorgeschreven in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en ook voor windparken op zee reeds geldt.

Ontheffing Ffw blijft nodig voor opzettelijk handelen

De vrijstelling geldt niet voor opzettelijk doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren die behoren tot beschermde inheemse diersoorten.  Hiervoor is nog steeds een ontheffing nodig op grond van de Ffw. De grens tussen opzettelijk en niet-opzettelijk handelen is afhankelijk van de geschatte kans dat dieren gedood of verwond worden. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt immers dat onder ‘opzet’ ook voorwaardelijk opzet verstaan wordt. Dit betekent dat moet worden beoordeeld wat de kans is dat dieren worden gedood of verwond, onder andere op basis van de binding van een soort met het gebied en het gedrag van de soort, bijvoorbeeld de ligging van trekroutes en de gebruikelijke vlieghoogte.

Inwerkingtreding

De wijziging van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten ligt op dit moment gedurende acht weken voor aan de Eerste en Tweede Kamer in het kader van de zogenaamde nahangprocedure. De wijziging treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Gelet op de termijn van acht weken, zal dat niet eerder dan op 4 november 2015 zijn.

Bron: Stb. 2015, 324

Share This