Met het op handen zijnde nieuwe omgevingsrecht en de codificatie en harmonisatie van het nadeelcompensatierecht, acht minister Dekker (Rechtsbescherming) verschillende moderniseringen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nodig. Op 10 juli jl. diende hij daartoe een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Allereerst introduceert dit voorstel een nieuwe regeling voor de gecoördineerde behandeling van samenhangende besluiten. Daarover gaat dit eerste blog. In een volgend blog bespreken we de beoogde mogelijkheid voor toezichthouders om bij overtreding van de medewerkingsplicht bestuurlijk te handhaven door middel van een last onder bestuursdwang. Tot slot komt de aanpassing of intrekking van bijzondere nadeelcompensatieregelingen aan bod: lees daarover hier meer.

De huidige coördinatieregeling

De coördinatieregeling uit paragraaf 3.5.3 van de Awb (artikelen 3:21 tot en met 3:29) maakt het mogelijk om verschillende besluiten die samenhangen met de realisatie van hetzelfde project, te bundelen in één besluitvormingsproject. Coördinatie van samenhangende besluiten is bedoeld om de besluitvorming rond zo’n project te versimpelen en te stroomlijnen. Door binnen het besluitvormingsproject een van de betrokken bestuursorganen aan te wijzen als coördinerend bestuursorgaan die de verschillende aanvragen coördineert en in samenhang behandelt, speelt de ongelijktijdigheid van procedures en besluiten in mindere mate een rol. De besluiten blijven afzonderlijk vatbaar voor bezwaar en beroep.

Bij de voorbereidingen van de nieuwe Omgevingswet zijn echter enkele schaduwkanten aan de huidige coördinatieregeling opgemerkt. Allereerst blijkt de huidige regeling in de praktijk zeer zelden te worden toegepast. Een belangrijke reden hiervoor is het bestaan van specifieke coördinatieregelingen in het omgevingsrecht, die op onderdelen afwijken van de Awb. Daarnaast is de reikwijdte van paragraaf 3.5.3 begrensd tot bepaalde typen besluiten.

De nieuwe coördinatieregeling

Het wetsvoorstel beoogt de huidige coördinatieregeling te vervangen voor een nieuwe regeling die toepasbaar is in het gehele omgevingsrecht en daarbuiten. Dit door de bijzondere bevoegdheden en voorzieningen die in het omgevingsrecht bestaan een plek te geven in de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb.

Om de nieuwe regeling beter te laten aansluiten bij verschillende omgevingsrechtelijke wetten, maakt deze het mogelijk de coördinatie in clusters te laten geschieden, waarbij opeenvolgende coördinatieprocedures plaatsvinden. Anders dan de verschillende omgevingsrechtelijke wetten, schrijft de huidige regeling namelijk voor dat de benodigde besluiten zoveel mogelijk gelijktijdig worden aangevraagd. Zeker bij omvangrijke projecten die in meerdere fasen worden uitgevoerd, is een regeling waarbij alle besluiten tegelijkertijd moeten worden aangevraagd niet efficiënt. Het gelijktijdig moeten aanvragen van alle besluiten kan ook onpraktisch zijn omdat de voorbereidingstijd voor een bepaald besluit langer duurt dan voor andere besluiten. Verder zijn er besluiten die slechts tijdelijk van kracht zijn en om die reden later aangevraagd worden. Het voorgestelde artikel 3:21 brengt hier met de mogelijkheid tot coördinatie in clusters verandering in.

Behalve over de fasering van de besluitvorming, krijgt het coördinerend bestuursorgaan ook meer regie over het tempo daarvan. Zo gaat een nieuw voorgesteld artikel 3:25 Awb vastleggen dat het coördinerende bestuursorgaan de beslistermijn voor de te coördineren besluiten bepaalt. In de verschillende omgevingsrechtelijke wetten is dit al vastgelegd. Het huidige artikel 3:26, eerste lid, onderdeel f, Awb daarentegen bepaalt dat indien de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt gebruikt voor de voorbereiding van de besluiten, als beslistermijn voor alle besluiten wordt aangehouden die van het besluit waarvoor de langste beslistermijn geldt. Dit verdraagt zich niet met het streven naar zo kort mogelijke besluitvormingsprocedures. In lijn met de verschillende omgevingsrechtelijke wetten, legt onderdeel h van het nieuw voorgestelde artikel 3:25 Awb daarom vast dat het coördinerend bestuursorgaan de beslistermijn bepaalt. Dit vanuit de gedachte dat het coördinerend bestuursorgaan het beste zal kunnen overzien welke beslistermijn redelijk is. De termijn die geldt voor het besluit met de langste beslistermijn geldt daarbij als buitengrens.

Ook voorziet de nieuwe regeling in verdere stroomlijning van de rechtsbescherming tegen de gecoördineerde besluiten. Om dit te realiseren krijgt het coördinerende bestuursorgaan een inspanningsverplichting om tijdens de bezwaarfase de bestreden besluiten zoveel mogelijk gezamenlijk en gelijktijdig op een eventuele hoorzitting aan de orde te laten komen. Verder zorgt een nieuw artikel 3:28 Awb voor een gebundelde beroepsgang voor de gecoördineerde besluiten, waardoor niet over elk besluit een aparte procedure hoeft te worden gevolgd. Dit zou moeten zorgen voor minder procedurelasten en minder vertraging. Het nieuw voorgestelde artikel 3:29 Awb beperkt vervolgens de bevoegdheid van de rechtbank tot die gevallen waarin voor alle gecoördineerde besluiten beroep in twee instanties geldt.

Anders dan de huidige regeling, is de reikwijdte van de nieuw voorgestelde regeling niet begrensd tot bepaalde typen besluiten. Hierdoor worden de gebruiksmogelijkheden van de coördinatieregeling vergroot.

De Omgevingswet

De wijzigingen van de Awb staan niet op zichzelf. Ook de Omgevingswet (Ow) wordt aangevuld en wel met twee bijzondere coördinatievoorzieningen.

De eerste voorgestelde coördinatievoorziening, die zal worden opgenomen in artikel 16.14a van de Omgevingswet, maakt het mogelijk dat voor beslissingen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met een omgevingsplan, het gewijzigde omgevingsplan geldt als beoordelingskader. En dus niet het op het moment van het nemen van de beslissing op de aanvraag geldende omgevingsplan. Hierdoor kunnen de besluiten die nodig zijn om een project te verwezenlijken, gelijktijdig of kort na elkaar worden genomen.

De tweede coördinatievoorziening verschaft bestuursorganen van het Rijk of een provincie die bevoegd gezag zijn voor een projectbesluit in de zin van de Ow een ‘indeplaatstredingsbevoegdheid’. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk zelf te voorzien in het nemen van een besluit, wanneer het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan daarbij in gebreke blijft.

Raadpleeg hier de volledige tekst van het wetsvoorstel en hier de bijbehorende Memorie van Toelichting.

Share This