Dit is het achtste en laatste deel van onze blogreeks Invoeringswet Omgevingswet. In deze reeks bespreken wij opeenvolgend verschillende onderwerpen van de Invoeringswet. In dit bericht staat het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet centraal.

In het blogbericht dat vorige week is verschenen in deze blogreeks is ingegaan op het overgangsrecht voor lopende procedures, voor bestuursrechtelijke sanctiebesluiten en het digitaal stelsel van de Ow. In dit bericht staan wij stil bij de overgangsregeling voor de kerninstrumenten van de Ow.

Overgangsrecht voor instrumenten Ow
Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. Idee achter deze overgangsfase voor de instrumenten is dat het niet realistisch is te verwachten dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Ow alle huidige besluiten door de bevoegde gezagen zijn omgezet in de nieuwe kerninstrumenten van de Ow. Dat geldt met name voor gemeenten. Met provincies wordt tijdens de consultatieperiode bezien of het beschikbaar hebben de provinciale instrumenten op het moment van inwerkingtreding van de Ow een knelpunt oplevert. Hierna volgt kort per instrument een toelichting op de overgangsfase.

De omgevingsvisie
De Ow vereist dat gemeenten, provincies en het Rijk een omgevingsvisie vaststellen die het beleidsmatig kader op hoofdlijnen vormt voor de toepassing van andere bevoegdheden, zoals het vaststellen van programma’s en regelgeving. De omgevingsvisie bindt alleen het orgaan dat de visie heeft vastgesteld. Voor gemeenten is een termijn van 5 jaar opgenomen voor het vaststellen van de visie. In de periode dat de visie er nog niet is blijven de hoofdzaken van het huidige gemeentelijke beleid (het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoersplan en de structuurvisie) gelden.

Programma’s
In de Ow zitten vier soorten programma’s. Voor de verplichte programma’s geldt dat deze vereist zijn om Europeesrechtelijke verplichtingen na te leven. Voor deze programma’s geldt dat als ze onder het oude recht zijn vastgesteld, ze blijven gelden onder de Ow. Voorwaardelijke programma’s worden opgesteld als uit monitoring blijkt dat niet voldaan wordt aan een omgevingswaarde. Denk bijvoorbeeld aan een programma voor luchtkwaliteit. Het NSL wordt onder de Ow namelijk niet doorgezet. Ook als de monitoringsresultaten onder het oude recht tot stand zijn gekomen, geldt een verplichting voor het opstellen van een voorwaardelijk programma. Voor de vrijwillige programma’s wordt geen overgangsrecht opgenomen, omdat er geen wettelijke verplichting bestaat om deze vast te stellen. Tot slot de programma’s met programmatische aanpak: de Ow vereist niet dat deze tot stand komen. Voor de PAS wordt er vooralsnog vanuit gegaan dat deze wordt gecontinueerd onder de Ow, daarvoor zal te zijner tijd overgangsrecht worden opgenomen in de Aanvullingswet natuur Ow.

Het omgevingsplan
Vanwege de hoeveelheid bestaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen is het logisch dat het overgangsrecht voor dit instrument het meest omvattend is. Omdat het nogal een klus is om dit allemaal om te zetten naar één omgevingsplan per gemeente wordt in de IOw uitgegaan van een overgangsfase van 10 jaar. Tot die tijd wordt er wel direct bij de inwerkingtreding van de Ow een omgevingsplan “gecreëerd”. Op grond van de IOw bestaat het omgevingsplan bij inwerkingtreding van de Ow uit twee delen. Allereerst de geldende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, voorbereidingsbesluiten en inpassingsplannen die van rechtswege gelden als onderdeel van het omgevingsplan. Het tweede onderdeel wordt door het Rijk ingevoegd om een soepele overgang mogelijk te maken: regels over activiteiten die regels vervangen die nu bijvoorbeeld in het Activiteitenbesluit staan.

Vervolgens heeft de gemeente gedurende de overgangsfase de tijd om het omgevingsplan te wijzigen zodat het bestaande regime dat van rechtswege onderdeel is geworden van het omgevingsplan wordt vervangen door een regime dat voldoet aan de Ow.

Omgevingsverordening en waterschapsverordening
In de omgevingsverordening zitten straks naast burgerbindende regels ook instructieregels over de uitvoering van taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Voor provincies wordt – zoals al benoemd – in beginsel geen overgangsrecht opgenomen, daarom is vooralsnog het uitgangspunt dat de omgevingsverordeningen beschikbaar zijn op het moment van inwerkingtreding van de Ow. Voor waterschappen geldt daarentegen dat pas op een nader te bepalen moment aan de verplichting tot het opstellen van de waterschapsverordening behoeft te worden voldaan. Tot dat moment blijven de regels die zij nu hebben ter uitvoering van hun waterbeheertaak (de keur) gelden.

Algemene rijksregels
De in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) opgenomen algemene regels gelden in beginsel direct na inwerkingtreding van de Ow. Beschikkingen die in procedure zijn gebracht vóór dat moment, worden onder het oude recht afgehandeld. Voor de nieuwe regels die strenger zijn dan de huidige voorschriften wordt in het Invoeringsbesluit ow een overgangstermijn opgenomen.

De omgevingsvergunning
De bestaande vergunningen en ontheffingen uit wetten die opgaan in de Ow gelden vanaf het moment van inwerkingtreding van de Ow als een omgevingsvergunning onder de Ow. Een vergunning die na dat moment wordt aangevraagd, moet voldoen aan alle eisen van het nieuwe stelsel, een vergunning die daarvoor is aangevraagd wordt nog volgens het oude recht afgehandeld.

 Het projectbesluit
Bij het projectbesluit is van belang dat deze de regels van een omgevingsplan wijzigt voor zover die regels in strijd zijn met de regels van het projectbesluit. Als een projectbesluit een geheel nieuw regime bevat, wijzigt dat besluit het ruimtelijke regime voor die locatie. In dat geval moet worden voorzien in een vervangend regime dat voldoet aan de eisen van de Ow. Als een projectbesluit slechts aanvullende regels bevat, kunnen deze in het omgevingsplan worden opgenomen terwijl de regels van het oude ruimtelijke regime nog blijven gelden.

De voorgangers van het projectbesluit hebben een andere juridische werking dan het projectbesluit onder de Ow. Daarom is in het overgangsrecht niet geregeld dat die voorgangers gelden als een projectbesluit. Een inpassingsplan zal opgaan in het omgevingsplan (ofwel direct bij de inwerkingtreding van de Ow, ofwel als het nog in procedure is op dat moment zodra het onherroepelijk is geworden). De status van een tracébesluit, die geldt als omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, wordt gecontinueerd. Dan nog het projectuitvoeringsbesluit uit de Chw en het projectplan uit de Waterwet: deze besluiten gelden ook als omgevingsvergunning en niet als projectbesluit.

Instructieregels
Voor de instructieregels is geen overgangsrecht opgenomen. Alle bestaande instructieregels van het Rijk en de provincies verliezen hun rechtskracht, met uitzondering van de lopende procedures. Als het Rijk of de provincie instructieregels wil behouden onder de Ow, dan moeten deze voor inwerkingtreding opnieuw worden vastgesteld (respectievelijk in het Bkl of de omgevingsverordeningen).

Tot slot
Uit de twee blogberichten over het overgangsrecht wordt duidelijk dat vanaf het moment van de inwerkingtreding van de Ow het nog lange tijd kan gaan duren voordat we daadwerkelijk alleen nog met de Ow van doen hebben. De praktijk zal geconfronteerd worden met een veelheid aan regels die naast elkaar gelden. Het is zaak om goed na te gaan onder welke regels uw project valt. De memorie van toelichting op de IOw bevat hiervoor een voor de praktijk handig overzicht:

 

Share This