Tijdens de 4e editie van Inzicht in Omgevingsrecht hebben Wim Korver (Goudappel Groep) en Daniëlle Roelands-Fransen de stelling geponeerd dat mobiliteit(sbeleid) het middel is voor een integrale benadering van de fysieke leefomgeving. Daarmee vormt mobiliteit een goede basis voor de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de (beoogde) inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2021, kiezen veel gemeenten en provincies er voor alvast een Omgevingsvisie op te stellen. De Omgevingsvisie vraagt om een integrale benadering van verschillende beleidsterreinen. Maar wat vormt het vertrekpunt?

Wat is een Omgevingsvisie?

De Omgevingsvisie vormt een sturingsinstrument dat aangeeft op welke wijze een bestuursorgaan de overige instrumenten – omgevingsplan al dan niet met omgevingswaarden en programma – inzet voor het bereiken van de beleidsdoelen teneinde een goede fysieke leefomgeving te creëren. Deze Omgevingsvisie komt in de plaats van de huidige structuurvisies, natuurvisies,  nationale en provinciale waterplannen, verkeers- en vervoerplannen en milieubeleidsplannen.  De Omgevingsvisie bindt alleen het bestuursorgaan dat het vaststelt – Rijk, provincie of gemeente – en heeft geen doorwerking naar lagere organen.

Inmiddels heeft een aantal gemeenten en provincies, al dan niet als pilot onder de Omgevingswet, een aanvang genomen met het opstellen van een Omgevingsvisie. Een veelgehoord aandachtspunt is dat het niet eenvoudig is om de beleidsvelden integraal te benaderen en hiërarchie aan te brengen in het doel dat wordt nagestreefd. Onder de Omgevingswet dient de Omgevingsvisie meer te zijn dan een verzameling van beleidsdocumenten en beleidsdoelen. De bedoeling is dat de Omgevingsvisie de hoofdlijnen beschrijft van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De vraag die daarbij hoort is hoe je een dergelijke integrale benadering van de fysieke leefomgeving insteekt.

De visie van Goudappel Coffeng en Pels Rijcken

Mobiliteit is nooit een doel op zich. Mobiliteit is een middel om ontwikkelingen mogelijk te maken. Mobiliteit vergt niet alleen een belangenafweging waar het gaat om ruimtebeslag, maar is cruciaal voor het bereikbaar houden van uw gemeente en bijvoorbeeld het behalen van klimaatdoelstellingen en milieunormen. Dat maakt mobiliteit een geschikt instrument om te sturen op bepaalde beleidsdoelen. Aan de hand van verschillende praktijkvoorbeelden is tijdens de workshop uitgelegd dat het mobiliteitsbeleid randvoorwaarden kan scheppen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Denk daarbij aan een woningbouwopgave in een gebied waar de luchtkwaliteit al kritiek is of nabij een Natura 2000-gebied. Willen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dan zullen mobiliteitsoplossingen gezocht moeten worden om e.e.a. in te passen.

De Omgevingsvisie schetst het beeld van de gemeente, provincie of land dat je wil zijn. Om scherp te krijgen in hoeverre dat wensbeeld haalbaar is en waar sturing nodig is, achten wij het van belang om scherp te krijgen wat de gebruiksruimte is. Gebruiksruimte vormt een ontwerpprincipe onder de Omgevingswet. Met gebruiksruimte doelen we op de nog niet benutte ruimte – wat betreft luchtkwaliteit, stikstofdepositie of bijvoorbeeld metrages beschikbaar voor woningen of bedrijven – waarvoor nog geen toestemmingen zijn gegeven. Onder de (Wet ruimtelijke ordening) Wro ligt heel veel feitelijke gebruiksruimte vast in zogenoemde harde plancapaciteit: ruimte die wel in een bestemmingsplan is opgenomen en daarmee verdisconteerd zit in bijvoorbeeld verkeersmodellen, maar feitelijk niet aanwezig is. Onder de Wro wordt dus heel veel feitelijke gebruiksruimte opgesoupeerd door niet-benutte harde plancapaciteit. Denk aan agrarische gronden waar bestemmingsplantechnisch een bedrijventerrein wordt mogelijk maakt. Modelmatig wordt geacht daar een volledig gevuld bedrijventerrein aanwezig te hebben terwijl feitelijk van enige emissie als gevolg van verkeer van en naar het bedrijventerrein natuurlijk helemaal geen sprake is. Onder de Omgevingswet is de bedoeling dat voortdurend bezien kan worden – met de spreekwoordelijke druk op de knop – welke gebruiksruimte aanwezig is om een gewenste ontwikkeling in te passen.

Uitgaande van dit ontwerpprincipe gebruiksruimte en indachtig het gegeven dat de Omgevingsvisie een integrale benadering vergt van verschillende beleidsterreinen stellen wij de volgende aanpak voor:
– Bepaal je ambitie als rijk, provincie, gemeente;
– Inventariseer bouwopgave(n) en andere wenselijke ingrepen in de fysieke ruimte;
– Inventariseer (milieu)gebruiksruimte;
– Zet bovengenoemde 3 punten af tegen bestaande mobiliteitsknelpunten (zgn. botsproeven);
– Maak (nieuw) mobiliteitsbeleid randvoorwaardelijk voor nieuwe ontwikkelingen;
– Gebruik het mobiliteitsbeleid als vertrekpunt voor de Omgevingsvisie.

Conclusie

Wij menen dat mobiliteitsbeleid de drager vormt voor de Omgevingsvisie ten behoeve van het bereiken van meerdere beleidsdoelen: ruimtelijke ontwikkeling, bereikbaarheid, milieu- en klimaatdoelen en bijvoorbeeld gezondheid. Mobiliteit schept immers de randvoorwaarden en geeft daarmee tegelijkertijd de grenzen aan voor ruimtelijke ontwikkelingen. Mobiliteit vormt daarmee hét instrument voor het scheppen van condities voor de gemeente, provincie of het land dat je wil zijn.

Share This