Wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Risicovol voor de gezondheid? Hoewel niet wetenschappelijk aangetoond, is er naar aanleiding van de onrust die bij bewonersgroepen bestaat over de mogelijke gevolgen van blootstelling aan elektromagnetische straling rijksbeleid geformuleerd. In het kader van dit beleid lag het ontwerpbesluit Verplaatsen en verkabelen hoogspanningsverbindingen tot eind november 2017 ter consultatie. Op dinsdag 3 april jl. stuurde minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (EZK) deze algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan de Eerste en Tweede Kamer.

Wijziging van de Elektriciteitswet

De grondslag van de concept-AMvB ligt in de wijziging van de Elektriciteitswet 1998, door uitbreiding van deze wet met een nieuw artikel 22a. Dit nieuwe artikel is onderdeel van het wetsvoorstel Voortgang energietransitie (Wet Vet) dat op dinsdag 3 april jl. werd aangenomen door de Eerste Kamer. Lees daarover ook ons blog ‘Transitie naar gasloze woningen in stroomversnelling.’ Deze wetswijziging creëert de mogelijkheid om bestaande hoogspanningsverbindingen gedeeltelijk te verplaatsen of onder de grond te plaatsen (verkabelen), wanneer ze te dicht bij woningen staan. Dit biedt gemeenten en/of provincies overigens een facultatieve mogelijkheid daartoe en geen verplichting. In de in het nieuwe artikel genoemde gevallen worden wel de netbeheerders verplicht om bovengrondse hoogspanningslijnen onder de grond te brengen of deels om te leggen, wanneer lokale overheden daarom verzoeken. Gemeenten en provincies krijgen op die manier meer bevoegdheden bij het bepalen van het bestaande gebied waarin zich hoogspanningsverbindingen bevinden (het hoogspanningstracé).

De verwachting is dat deze wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ervoor zorgt dat er 135 kilometer hoogspanningsnet wordt verplaatst of onder de grond wordt gebracht. Het gaat hierbij om bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV die door of op de grens van de bebouwde kom liggen. Hoogspanningstracés van 220 en 380 kV kunnen om technische redenen niet onder de grond gebracht worden.

Artikel 22a lid 7 onder a Elektriciteitswet 1998, bepaalt dat bij of krachtens AMvB regels worden gesteld over de kostenverdeling tussen de netbeheerder en de decentrale overheden die een hoogspanningslijn binnen bevolkingskernen onder de grond willen laten brengen of verplaatsen. Dat heeft geresulteerd in het ontwerpbesluit Verplaatsen en verkabelen hoogspanningsverbindingen.

Kostenverdeling overheid en netbeheerder

Het ontwerpbesluit moet het mogelijk maken dat gemeenten en/of provincies (delen van) hoogspanningsverbindingen die door de minister van EZK aangewezen zijn, laten verplaatsen of onder de grond laten brengen door de netbeheerder, zonder dat de kosten daarvan volledig ten laste komen van die verzoekende overheid of overheden.

Samen met netbeheerders, provincies en gemeenten zijn afspraken gemaakt hoe de kosten van tracé-aanpassingen worden verdeeld. Daarbij is rekening gehouden met de gemeentelijke draagkracht. Kleine gemeenten (30.000 inwoners of minder) betalen 15% van de kosten, grote gemeenten betalen 20% van de kosten. De maximale zogenoemde ‘decentrale bijdrage’ voor lokale overheden is €975.000,- per kilometer nieuw aan te leggen tracé. De rest van de kosten zijn voor rekening van de netbeheerder. Voor tracés die voortvloeien uit het onderzoek naar alternatieven van de Uitkoopregeling bedraagt de decentrale bijdrage bij wijze van uitzondering  10% van de totale kosten, zodat gemeenten een evenwichtige afweging kunnen maken tussen uitkoop van woningen (met volledige vergoeding door de rijksoverheid) of verkabeling respectievelijk verplaatsing van het tracégedeelte.

Eventuele (grond)opbrengsten, die de netbeheerder verkrijgt als gevolg van verplaatsing of verkabeling van het tracé, worden in mindering gebracht op de totale kosten en daarmee op de decentrale bijdrage. Overige mogelijke baten bij andere partijen, als gevolg van bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkelingen die hierdoor mogelijk worden, worden niet verrekend.

De netbeheerders zullen het grootste deel van de kosten die samenhangen met de uitvoering van artikel 22a Elektriciteitswet 1998 dragen. De netbeheerder mag deze extra kosten doorberekenen in de transportkosten voor elektriciteit, als gevolg waarvan alle afnemers van elektriciteit meebetalen. De elektriciteitskosten van een gemiddeld huishouden kunnen hierdoor maximaal met €1,37 per jaar stijgen, om daarna weer af te nemen. De energierekening voor een industriële verbruiker van gemiddelde grootte kan hierdoor  stijgen tot maximaal €15.000,- per jaar, waarna deze weer afneemt.

Procedurele bepalingen

Tot slot bevat dit besluit enkele procedurele bepalingen. Zo regelt het bijvoorbeeld dat de netbeheerder verzoeken, behoudens bijzondere gevallen, in beginsel op volgorde van binnenkomst uitvoert. Hierbij valt te denken aan separaat ingediende verzoeken van naast elkaar gelegen gemeenten, die dezelfde hoogspanningslijn betreffen en waarvan het duidelijk de voorkeur heeft deze verzoeken gelijktijdig uit te voeren. Ook regelt het besluit welke eisen gelden bij de aanvraag door de netbeheerder van een ontheffing van de verplichting een aangewezen deel van een net te verkabelen of te verplaatsen (zoals mogelijk op basis van artikel 22a, vijfde lid, Elektriciteitswet 1998). De minister van EZK kan deze ontheffing verlenen om redenen van technische of ruimtelijke aard of wanneer de verplaatsing of verkabeling in strijd komt met de leveringszekerheid.

Vind hier het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting.

you're currently offline

Share This