Bodemenergie en geothermie zijn hernieuwbare, duurzame energiebronnen die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de ambitieuze doelstellingen van de regering op het gebied van energie en klimaat. Mede gelet op de noodzaak tot afbouw van de vraag naar aardgas is de verwachting dat het gebruik van deze bronnen in de komende jaren aanzienlijk zal toenemen. Het kabinet juicht deze transitie toe. Toch zijn er nog de nodige juridische en praktische belemmeringen die de groei van bodemenergie en geothermie afremmen. Wij belichten een aantal van de wijzigingen die kunnen bijdragen aan de voor de energietransitie noodzakelijke groei van deze vormen van warmtewinning.

Wat verstaan we onder bodemenergie en geothermie?

Bodemenergie is het gebruik van warmte of koude in de ondiepe ondergrond (≤500 meter). Er zijn open en gesloten bodemenergiesystemen. Het verschil is dat bij gesloten systemen geen grondwater wordt verplaatst, maar een (andere) vloeistof in buizen door de bodem wordt geleid.

Open bodemenergiesystemen worden gereguleerd via het Waterbesluit. De provincies zijn daarvoor bevoegd gezag. Waar de gesloten systemen voorheen niet gereguleerd waren en daarmee zonder restrictie konden worden geïnstalleerd, zijn deze sinds de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen (WBBE) op 1 juli 2013 onder de bevoegdheid van gemeenten gebracht.

Geothermie is het gebruik van warmte of koude in de diepere aardlagen (> 500 meter). De huidige geothermieprojecten winnen doorgaans warmte op een diepte van twee tot drie kilometer en leveren lage temperatuur warmte voor bijvoorbeeld de glastuinbouw en de gebouwde omgeving. Bij winning van warmte uit aardlagen dieper dan vier kilometer, spreken we over ultra diepe geothermie (UDG). UDG wordt ingezet bij de vraag naar hoge temperatuur warmte en kan daarmee een deel van de fossiele warmtevraag in de industrie vervangen. Bevoegd gezag voor de verlening van een vergunning voor het opsporen en winnen van aardwarmte is de Minister van Economische Zaken.

Knelpunten bij de groei van bodemenergie

Uit een evaluatie van het WBBE is gebleken dat het groeitempo van het aantal geïnstalleerde bodemenergiesystemen de laatste jaren is afgenomen. Hoewel meerdere factoren hierop invloed hebben gehad, signaleren enkele bedrijven dat het WBBE heeft gezorgd voor meer administratieve lasten en daarmee meer kosten voor kleine open systemen. In een Kamerbrief die staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) op 26 april jl. naar aanleiding van de evaluatie aan de Tweede Kamer stuurde, kondigt zij onder meer aan middels het toekomstige Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een geïntegreerde vergunning mogelijk te maken. Daarbij wordt de benodigde installatievergunning voor een open bodemenergiesysteem gekoppeld aan de lozingsvergunning die nodig is om na het doorspoelen van open systemen, het bijbehorende spoelwater te kunnen lozen.

Een andere kwestie is dat er vooral in drukke binnensteden, industriegebieden en glastuinbouwgebieden sprake is van grote drukte in de ondergrond; het aantal al aanwezige en gewenste systemen zou weleens te groot kunnen worden voor de beschikbare ruimte. Dit kan leiden tot zogenoemde ‘negatieve interferentie’. Bodemenergiesystemen hebben door het terugpompen van opgewarmd of afgekoeld grondwater of in geval van gesloten WKO-systemen, een andere vloeistof, een uitstraling naar het omliggende grondwater tot wel enkele tientallen meters vanaf de locatie waar het water wordt teruggepompt, soms zelfs buiten het perceel waarop het WKO-systeem is geplaatst. Hierdoor kan thermische of hydraulische interferentie optreden tussen bodemenergiesystemen onderling. Dit kan leiden tot een minder optimale aanwending van de aanwezige bodemenergie en tot een waardevermindering van de betrokken systemen. Daarbij kan het nodig blijken in het kader van een optimale winning van bodemenergie bepaalde systemen stil te leggen of het gebruik ervan te beperken, om vervolgens eventueel aan te sluiten op collectieve bodemenergiesystemen, die doorgaans doelmatiger zijn dan individuele systemen.

In artikel 15 van de Wet bodembescherming (Wbb) is in algemene zin bepaald dat krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels kunnen worden gesteld om het gebruik van een bodemenergiesysteem te staken of te beperken in het belang van het doelmatig gebruik van bodemenergie. Ten behoeve van de nadere uitwerking van deze bepaling zijn reeds in 2009 een AMvB Bodemenergie en een eventuele regeling Bodemenergie aangekondigd. Deze lagere, meer gedetailleerde regelgeving is er nog niet. Ook het WBBE voorziet niet in een regeling voor de plaatsing en afstemming van systemen. Daarmee zijn veel vragen onbeantwoord gebleven. Zo is voorstelbaar dat de eigenaar van een systeem dat is stilgelegd of waarvan het gebruik is beperkt, schade lijdt. Onduidelijk is nu of en in hoeverre dergelijke kosten verhaald kunnen worden. De inschatting is dat zonder aanpassing van wet- of regelgeving de interferentieproblemen verder zullen toenemen, waarbij civielrechtelijke geschillen op de loer liggen. Een risico voor de gewenste stijging van het aantal bodemenergiesystemen en uiteindelijk ook de gewenste CO2-doelstellingen.

Wel bestaat voor gemeenten reeds de mogelijkheid interferentiegebieden aan te wijzen middels de zogenoemde ‘Kansenkaart bodem’. Hierbij brengen zij de gebieden met de grootste kansen voor bodemenergie en combinaties met andere functies in kaart en wegen daarbij af in hoeverre nadere ordening van de ondergrond vereist is om negatieve interferentie te voorkomen. Met de komst van de Omgevingswet hebben gemeenten bovendien straks de mogelijkheid om een nog bredere afweging te maken. Middels de gemeentelijke omgevingsvisies- en plannen, waarvan de invulling op dit moment al door meerdere gemeenten wordt voorbereid, wordt de ondergrond in een vroegtijdig stadium van het maken van ruimtelijke plannen meegenomen.

Ervaring met de eerste geothermieprojecten

In een beleidsbrief geothermie beschreef minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (EZK) in februari dit jaar de ervaring met de eerste geothermieprojecten. Deze leert dat de huidige reguleringssystematiek van de mijnbouwwet- en regelgeving, die met name doelstellend van aard is en goed werkt in de ervaren olie- en gasindustrie, onvoldoende aansluit bij de specifieke kenmerken van de jonge geothermiesector. Er zou daarom in de bestaande Mijnbouwwet een eigenstandige methode van regulering voor geothermie moeten worden geïntroduceerd.

Ter waarborging van de veiligheid blijken voor de opsporing en winning van geothermie aanvullende technische eisen nodig te zijn. Bijvoorbeeld meer passende maatregelen om interferentie met grondwaterzones te voorkomen of bepalingen over materiaalgebruik met oog op het zoveel mogelijk voorkomen van corrosie en daarmee het ongecontroleerd weglekken van vloeistoffen. Naast de mogelijkheid dergelijke eisen in standaarden vorm te geven, benoemde de minister ook de wettelijke regeling hiervan als een reële optie. Sommige bestaande veiligheidseisen zouden daarentegen kunnen worden versoepeld. Zo zijn niet alle wettelijke voorschriften die bedoeld zijn voor gasputten ook noodzakelijk voor geothermie.

Verder stelt de minister maatregelen voor om de financiële draagkracht van mijnbouwbedrijven te toetsen op de gehele levenscyclus. In geval van onvoorziene technische problemen of het opruimen van de winputten aan het einde van de productie, is het voor mens, natuur en milieu immers van belang dat operators in staat zijn de benodigde maatregelen te nemen. Ook hiervoor kondigt de minister aanpassingen van de Mijnbouwwet aan. Op dit moment zijn hiervoor echter nog geen concrete wetsvoorstellen ingediend.

Andere mogelijkheden naast regelgeving

Aanpassing van regelgeving of nieuwe regelgeving kan slechts in beperkte mate bijdragen aan het stimuleren van de toepassing van bodemenergie en geothermie. Er zijn echter meer mogelijkheden. Zo noemt staatssecretaris Van Veldhoven bevordering van kennis- en informatieoverdracht aan potentiële gebruikers over de voordelen van bodemenergie onder het traject van de door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat opgezette ‘Versnellingstafel duurzame decentrale Warmteopwekking’. Verder noemt de minister ook de mogelijkheid van financiële prikkels als subsidie en fiscale voordelen.

Voor wat betreft geothermie is er in delen van Nederland weinig informatie beschikbaar over de diepere ondergrond. Bovendien is de kennis versnipperd omdat geothermie een nog jonge sector is. De overheid zou volgens minister Wiebes de regie moeten gaan voeren over regionaal seismisch onderzoek en de opsporing van geothermie, waar marktpartijen vervolgens op kunnen inhaken. Ook het innoveren van de huidige geothermieprocessen acht de minister van groot belang om de kosten van de projecten omlaag te brengen en is zodoende een belangrijke pijler in de versnelling van geothermie.

Raadpleeg hier de beleidsbrief geothermie en hier de kamerbrief met het plan van aanpak.

Share This