De Afdeling heeft begin dit jaar enkele bepalingen uit het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: BChw) onverbindend verklaard, omdat in het BChw niet was aangegeven voor welke duur de mogelijk gemaakte afwijking(en) van wettelijke bepalingen gold. De Afdeling oordeelde dat dit in strijd was met artikel 2.4, derde lid, onder b, van de Crisis- en herstelwet. Met de vandaag in werking getreden 13de tranche van het BChw, worden de gebreken in het BChw gerepareerd.

Beknopt juridisch kader

Met de inwerkingtreding van de Chw is beoogd om de besluitvorming rondom projecten die bijdragen aan werkgelegenheid, duurzaamheid en de economie door middel van aangepaste procedures sneller tot stand te brengen. Zo kan op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Chw bij algemene maatregel van bestuur afgeweken worden van het bepaalde bij of krachtens de Wro. Wel eist het derde lid, aanhef en onder b, van dat artikel dat daarbij de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen moet worden bepaald.

Artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BChw) bepaalt bijvoorbeeld dat bestemmingen van gronden, met inbegrip van de daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw worden vastgesteld. Hierdoor wordt dus afgeweken van artikel 3.1, tweede lid, van de Wro, waarin wordt bepaald dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld voor een periode van tien jaar.

Bestemmingsplan Spoorzone Culemborg

Aanleiding voor de uitspraak waarin artikel 7c van de BChw deels onverbindend werd verklaard door de Afdeling was het project Spoorzone Culemborg. Met dat project wil de gemeente het gebied rond het NS-station samen met commerciële partijen herontwikkelen. Die ontwikkeling vraagt om een langere planperiode dan de tien jaar die artikel 3.1 van de Wro biedt, reden waarom op grond van artikel 7c van het BChw wordt afgeweken van die termijn door een planperiode van twintig jaar vast te stellen. De Vereniging Ondernemers Culemborg kwam op tegen het bestemmingsplan dat dit project mogelijk maakt en voerde onder meer aan dat artikel 7c van het BChw in strijd is met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Chw, omdat niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de hier van belang zijnde afwijkingen is bepaald. De Afdeling volgt dit betoog en oordeelt (ECLI:NL:RVS:2016:201):

“Het gebruik kunnen maken van deze afwijkingen is aldus anders dan voorgeschreven niet in tijd beperkt. Dat, zoals de raad in dit verband naar voren heeft gebracht, ingevolge het tweede lid van artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw de looptijd van het plan is beperkt tot 20 jaar, maakt dit niet anders, nu dit een afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wro betreft maar niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van die of andere afwijkingen.”

Dat er wordt afgeweken van de termijn van de Wro is niet problematisch. Problematisch is het feit dat niet was bepaald hoe lang in totaal van die termijn afgeweken kon worden. Met andere woorden: artikel 7c van het BChw maakte het mogelijk om ten aanzien van een bepaald project achtereenvolgend bestemmingsplannen vast te stellen of te herzien met een looptijd langer dan tien jaar. Dat is in strijd met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Chw.

De Afdeling verklaart artikel 7c van het BChw, voor zover dat ziet op het mogelijk maken van afwijkingen, onverbindend.

De dertiende tranche: reparatiewetgeving

De minister van Infrastructuur en Milieu ging na de uitspraak (die kort daarna is bevestigd: AbRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:399) aan de slag met het maken van reparatiewetgeving. Voor alle artikelen die gebaseerd zijn op artikel 2.4 van de Chw is de wetgever nagegaan of wordt voldaan aan de voorwaarde dat de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen wordt bepaald. Alle artikelen waarbij dat niet het geval was, zijn met de inwerkingtreding van de 13e tranche gerepareerd. De minister heeft dit gedaan door het opnemen van concrete einddata waarvoor gebruik moet zijn gemaakt van de bevoegdheid waarmee kan worden afgeweken van het vigerend omgevingsrechtelijke regime. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat een bestemmingsplan met verlengde planperiode vóór 15 mei 2019 moet worden vastgesteld. Stel dat het bestemmingsplan op 1 mei 2019 wordt vastgesteld, dan geldt dat bestemmingsplan tot en met 1 mei 2039.

De 13de tranche voorziet in terugwerkende kracht. De terugwerkende kracht wordt verleend tot de datum van inwerkingtreding van de eerste tranche van het BChw. Alle al genomen of in voorbereiding zijnde gebrekkige besluiten voor inwerkingtreding van deze 13de tranche zijn daarmee geheeld.

Kritische geluiden

Uit verschillende hoeken zijn kritische geluiden te horen op de reparatiewetgeving. Zo is het maar de vraag of artikel 2.4, derde lid, van de Chw ziet op de periode waarbinnen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt (waarvan de reparatiewetgeving uitgaat), in plaats van het begrenzen van de toegestane tijdsduur van de afwijking zelf. Een meer praktische vraag is wat er gebeurt met bestemmingsplannen die binnen de wettelijke periode worden vastgesteld, en vervolgens na verstrijken van die periode worden vernietigd door de Afdeling. Feit is wel dat door de reparatiewetgeving zowel de periode waarbinnen gebruik mag worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid is begrensd, als de periode waarop die afwijkingsbevoegdheid ziet (in het geval van een bestemmingsplan twintig jaar). Daarmee lijkt voldaan te worden aan het vereiste van artikel 2.4, derde lid, van de Chw. Of dit daadwerkelijk zo is, en hoe omgegaan zal worden met andere met dit onderwerp verband houdende vraagstukken, zal moeten blijken uit toekomstige jurisprudentie.

Wordt vervolgd!

Bronnen:

AbRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:201

AbRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:399

Besluit van 22 juni 2016 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, Staatsblad 2016/252

 

you're currently offline

Share This