Er is weer een belangrijke stap gezet richting het inwerking treden van de Omgevingswet (volgens planning in 2019). De ministerraad heeft ingestemd met de vier ontwerp AMvB’s behorende bij de Omgevingswet. Op 30 juni 2017 zijn de vier AMvB’s, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur voor advies naar de Raad van State gezonden.

Eén van die vier AMvB’s betreft het Omgevingsbesluit (Ob). Het Omgevingsbesluit bevat geen inhoudelijke regels, maar voorziet – kort gezegd – in procedurele bepalingen. Welke procedure moet worden doorlopen? Wie is het bevoegd gezag? Hoe worden andere bestuursorganen in een procedure betrokken? Dat zijn slechts enkele vragen die het Omgevingsbesluit beantwoordt. Het Omgevingsbesluit geeft daarnaast invulling aan de milieueffectrapportage, het kostenverhaal en de financiële zekerheidsstelling.

In dit blogbericht bespreken wij een aantal in het oog springende wijzigingen in de nieuwe conceptversie van het Omgevingsbesluit die recentelijk aan de Raad van State is voorgelegd (link).

Participatie
Participatie is één van de centrale onderwerpen van de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit bevat procedureregels over participatie, in het bijzonder waar het gaat om participatie in de projectprocedure. Zo moet het bevoegd gezag kennis te geven van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen betrokken worden bij de participatie. De kennisgeving moet op een zodanige wijze plaatsvinden dat het relevante publiek zo goed mogelijk wordt bereikt (artikel 4.2, lid 2, Ob). De wijziging van het ontwerp Omgevingsbesluit voegt hier aan toe dat het bevoegd gezag er voor zorgdraagt dat de voor participatie benodigde informatie op een toegankelijke wijze beschikbaar is voor de betrokken burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen (artikel 4.2, lid 3, Ob).

Ook in de procedure voor de totstandkoming van een omgevingsplan, een omgevingsvisie en een programma speelt participatie een rol. Voor het omgevingsplan was in het Omgevingsbesluit reeds een motiveringsplicht opgenomen op grond waarvan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken (artikel 8.1 Ob). Om vroegtijdige participatie te bevorderen, voorziet de wijziging van het ontwerp Omgevingsbesluit er in dat in de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen ook wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij de voorbereiding van het omgevingsplan worden betrokken (artikel 8.1, lid 2, Ob).

Waar het gaat om participatie is het tot slot nog van belang dat in de Nota van Toelichting op het gewijzigde Omgevingsbesluit wordt gewezen op de Inspiratiegids participatie (link). Hiermee wordt een praktisch en handig hulpmiddel gegeven bij de concrete vormgeving van het participatieproces.

Geen gestandaardiseerd overgangsrecht voor omgevingsplannen
Het Ob voorziet in het loslaten van het gestandaardiseerde overgangsrecht voor omgevingsplannen, zoals we dat nu kennen op grond van artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Tijdens de consultatieronde is hier vanuit diverse hoeken kritiek op gekomen.

De Nota van Toelichting op het (gewijzigde) Omgevingsbesluit voorziet op dit punt in een heldere toelichting. Voor het omgevingsplan bepalen gemeenten straks zelf het overgangsrechtelijke regime. De regering vindt het belangrijk dat het overgangsrecht in het omgevingsplan is toegesneden op de lokale situatie. De standaardregels over eerbiedigend overgangsrecht in het Besluit ruimtelijke ordening leidden ertoe dat legaal bestaand gebruik praktisch altijd mocht worden voortgezet, ondanks een bestemmingswijziging of aanscherping van de regels. Dat werkte beperkend voor gemeenten om ontwikkelingen mogelijk te maken of juist ongewenst geworden situaties tegen te gaan. Een ander belangrijk argument dat tegen gestandaardiseerd eerbiedigend overgangsrecht pleit is dat het omgevingsplan ook onderwerpen zal reguleren waarvoor het niet nodig en ook niet wenselijk is om eerbiedigend overgangsrecht op te nemen. Denk daarbij aan regels uit de gemeentelijke verordeningen.

Advies met instemming gemeenteraad afwijkactiviteit
Onder de Omgevingswet zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen voor de zogenoemde afwijkactiviteit; het afwijken van het omgevingsplan (artikel 5.8 Ow). Voor een omgevingsvergunning ‘strijdig gebruik’ die – onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht – wordt voorbereid met de uitgebreide procedure, is nu nog een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. De verklaring van geen bedenkingen (onder de Omgevingswet ‘advies met instemming’) komt voor de omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit te vervallen; de raad is hier niet meer bij betrokken.

In de consultatieronde zijn hierover enkele opmerkingen gemaakt. In de Nota van Toelichting op het gewijzigde Omgevingsbesluit wordt toegelicht dat het voorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet de positie van de gemeenteraad toch wat zal versterken door het instellen van een adviesrecht voor de omgevingsvergunningen voor de afwijkactiviteit. Het bevoegd gezag is in zo’n geval verplicht om advies te vragen, maar mag hier – anders dan bij ‘advies met instemming’ – gemotiveerd van afwijken.

 Voorbereidingsprocedure
Voor omgevingsvergunningen is en blijft het uitgangspunt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is (artikel 16.62 Ow). De uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) is op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning van toepassing voor gevallen van activiteiten die zijn aangewezen in een AMvB. Dat is artikel 8.20 van het Omgevingsbesluit.

VNG, IPO en UvW hebben in de consultatie gevraagd om de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om zelf te kunnen bepalen in welke gevallen de uitgebreide procedure wordt toegepast. De regering gaat niet mee in deze wens, aangezien dat niet past bij de doelstelling om procedures te versnellen. Interessant is nog wel dat de regering in de Nota van Toelichting op het Omgevingsbesluit wijst op de mogelijkheid dat afdeling 3.4 Awb wordt toegepast op verzoek van of met instemming van de aanvrager. Die mogelijkheid is voorgesteld in de Invoeringswet Omgevingswet en wordt vormgegeven in een nieuw artikel 16.62, derde lid, Ow. Daarmee wordt aangesloten bij de mogelijkheid die artikel 3:10, eerste lid, Awb kent om te besluiten afdeling 3.4 Awb toe te passen op de besluitvorming.

Niet belangrijke wijziging als opvolger van milieuneutrale wijziging
De reguliere procedure is van toepassing op niet-belangrijke wijzigingen van vergunningen, waarvoor de uitgebreide procedure is voorgeschreven (artikel 8.22, lid 4, Ob). Hiermee is beoogd om een opvolger te maken voor de milieuneutrale wijziging uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 3.10, derde lid).

In de Nota van Toelichting op het gewijzigde Omgevingsbesluit wordt dit onderdeel nader verduidelijkt. Het gaat om wijzigingen van een omgevingsvergunning, die geen aanzienlijke nadelige effecten hebben op de gezondheid van de mens of op het milieu. Het is aan het bevoegd gezag te beoordelen of er sprake is van een wijziging die geen aanzienlijke nadelige effecten heeft op de gezondheid van de mens of het milieu. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een eventuele m.e.r.-beoordeling. Als uit deze m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te verwachten zijn, kan deze m.e.r.-beoordeling gebruikt worden als onderbouwing van het standpunt dat de reguliere procedure kan worden gevolgd. Het bestuursorgaan stuurt op grond van artikel 16.54, lid 4, Ow aan de aanvrager de mededeling welke procedure zal worden gevolgd. Tegen deze mededeling staat op grond van artikel 6:3 van de Awb geen beroep open. De mededeling kan worden aangevochten in het kader van de omgevingsvergunning waarop deze betrekking heeft.

De regeling met betrekking tot milieuneutrale wijzigingen uit artikel 3.10, lid 3, Wabo wordt in de Omgevingswet voortgezet. De strekking van deze regeling is echter ruimer, doordat ook ambtshalve wijzigingen via de reguliere procedure worden voorbereid. Onder de Wabo was dit enkel het geval als sprake was van een aanvraag om een wijziging. Daarnaast omvat de term “niet-belangrijke wijziging” – die overigens voortvloeit uit de Europese richtlijnen – meer dan alleen milieuneutrale wijzigingen. Niet belangrijke wijzigingen ziet ook op wijzingen die wel een beperkte impact hebben op de bandbreedte van de omgevingsvergunning. De term niet-belangrijke wijziging sluit een kleine verruiming van de bandbreedte van de omgevingsvergunning of een beperkte wijziging van de toegestane milieugevolgen niet op voorhand uit. Ter illustratie wijst de Nota van Toelichting op minder emissies maar meer lawaai als gevolg van aanpassing van de filterinstallatie van een bedrijf.

Milieueffectrapportage
Een laatste interessante verduidelijking in de Nota van Toelichting ziet op de m.e.r.-beoordeling. In de consultatieronden waren er met name vragen over de keuze voor één procedure voor de mer-beoordeling en het laten vervallen van de drempels voor de aanwijzing van de mer-beoordeling.

Op dit moment zijn twee procedures voor de mer-beoordeling te onderscheiden: de formele mer-beoordeling en de vormvrije mer-beoordeling. De drempelwaarden waren bepalend voor de vraag welke procedure van toepassing was. Boven de drempelwaarden gold de formele mer-beoordeling, daaronder de vormvrije mer-beoordeling.

De drempelwaarden worden in het Omgevingsbesluit losgelaten. De drempelwaarden zijn dus niet langer van invloed op de vraag óf er een mer-beoordeling moet plaatsvinden. In het nieuwe stelsel bestaat nog maar één procedure voor de mer-beoordeling met eisen om te voldoen aan de mer-richtlijn.

 

Share This