Eén van de voornaamste pijlers van de Omgevingswet is participatie. Het in een vroeg stadium betrekken van burgers, bedrijven en andere belanghebbenden bij plannen voor de fysieke leefomgeving zorgt niet alleen voor meer kennis, expertise en creativiteit, maar vergroot ook het draagvlak en leidt tot minder bezwaar- en beroepsprocedures. De Omgevingswet onderkent dat participatie maatwerk is. Het bevoegd gezag en initiatiefnemers zijn vrij om hierin eigen keuzes te maken. Is dit te vrijblijvend? De Tweede Kamer ging hierover op 20 februari 2019 in debat én er werd hierover een amendement ingediend.

Participatie in de letter van de wet

De ‘geest’ van de Omgevingswet ademt weliswaar participatie, maar dit blijkt volgens de Kamer nog onvoldoende uit de letter van de wet. Artikel 16.55 bevat de vereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 16.55 maakt het mogelijk dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de door de aanvrager te verstrekken gegevens en bescheiden (lid 2). Er worden in ieder geval regels gesteld over het bij de aanvraag verstrekken van gegevens over participatie van en overleg met derden (lid 6). Deze regels staan in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling, die van 1 februari tot en met 8 maart 2019 in consultatie ligt. Het eerste lid van artikel 7.4 bepaalt dat bij een aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. Het tweede lid bepaalt dat als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, de aanvrager bij de aanvraag gegevens verstrekt over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Het doel van dit artikel is om in de eerste plaats de initiatiefnemer te stimuleren stil te staan bij participatie rond het voorgenomen initiatief en in de tweede plaats het bestuursorgaan hierover inzicht te verschaffen. De formulering van het artikel biedt de aanvrager de mogelijkheid het bevoegd gezag inzicht te geven door bij de aanvraag aan te geven:

  • of participatie voorafgaand aan de aanvraag heeft plaats gevonden;
  • als dit het geval is: hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken; en
  • wat de resultaten daarvan zijn.

In de toelichting bij het ontwerp van de Omgevingsregeling wordt de vormvrijheid van het participatieproces benadrukt. Participatie is maatwerk. De initiatiefnemer is niet alleen vrij het participatieproces naar eigen inzichten vorm te geven, maar behoudt ook de vrijheid om hieraan geen toepassing te geven. Daar kunnen goede redenen voor zijn, zoals de aard van de voorgenomen ontwikkeling. De toelichting bij het ontwerp van de Omgevingsregeling noemt in dat kader de volgende voorbeelden. Overleg met buren over een vergunningaanvraag voor het slopen van een binnenmuur van een monument kan overbodig zijn, net als overleg met de buurbedrijven over een bouwactiviteit van een opslagloods voor pallets midden op een groot industrieterrein. Het enkele feit dat bij de aanvraag is aangegeven dat niet aan participatie is gedaan kan niet resulteren in het besluit om de aanvraag niet te behandelen. De initiatiefnemer is in die situatie wel verplicht aan te geven dat er niet aan participatie is gedaan.

Bij het ontwerp van de Omgevingsregeling wordt toegelicht dat de regeling in artikel 7.4 uitputtend bedoeld is. Daardoor kunnen decentrale overheden geen aanvullende regels stellen over participatie voor vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan, omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Amendement

Kamerlid Van Eijs lijkt dat te vrijblijvend te vinden. Haar amendement beoogt aan artikel 16.55 een zevende lid toe te voegen, luidende: “De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarbij participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit kan worden gedaan.” Het idee is dat de gemeenteraad een dergelijke verplichting kan opnemen in haar omgevingsplan. Indien niet wordt voldaan aan de eis van participatie, is de vergunningaanvraag niet compleet. De initiatiefnemer kan dan door het bevoegd gezag in de gelegenheid worden gesteld om dit verzuim te herstellen. Indien daaraan niet wordt voldaan, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Er wordt dan niet voldaan aan de aanvraagvereisten.

Met dit amendement in handen, kan de gemeenteraad de keuzevrijheid van initiatiefnemers om al dan niet een participatieproces te doorlopen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning beperken. Ondanks dat de minister dit amendement onderschrijft, blijft zij bij haar eerdere standpunt: hóe deze participatie precies moet worden vormgegeven is nog steeds maatwerk en dus niet geschikt om één passende mal voor vast te leggen.

Op 5 maart 2019 zal de Kamer stemmen over het amendement.

you're currently offline

Share This