De internationale klimaatafspraken gericht op de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen maken een stevige inzet op duurzame energie noodzakelijk. Daarmee bieden de klimaatdoelstellingen ook kansen voor investeerders in duurzame energie, bijvoorbeeld in zonne-energie. Zonneparken bouwen is dan ook ‘hot’ en de exploitatie ervan voor bedrijven steeds aantrekkelijker. Onlangs deed de rechtbank Noord-Holland een interessante uitspraak over het eigendom van zonneparken. Vooral het oordeel van de rechter over de goederenrechtelijke natrekking van zonnepanelen springt in het oog.

Waar ging de zaak over?

De gemeente is eigenaar van percelen grond, die zij ten behoeve van de exploitatie van een zonnepark verhuurt aan de holdingmaatschappij Zonnegrond B.V. Krachtens een onderhuurovereenkomst verhuurt Zonnegrond B.V. een deel van het zonnepark aan haar dochtermaatschappij 1724 B.V, die op haar beurt percelen onderverhuurt aan een coöperatie van particulieren. Wanneer Zonnegrond B.V. en 1724 B.V. failliet gaan, verkoopt de curator van 1724 B.V. de faillissementsboedel bestaande uit zonnepanelen, installaties, bekabeling en hekwerk, aan een andere partij. Vervolgens ontstaat een geschil tussen de coöperatie en de curator over de vraag aan wie het eigendom van het zonnepark toekomt. De coöperatie stelt eigenaar te zijn geworden van een groot deel van de zonnepanelen en bijbehorende installaties, op het moment van facturatie aan de coöperatie.

Portacabin-criteria: zonnepark een onroerende zaak

Om te kunnen beoordelen of de coöperatie daadwerkelijk eigenaar is geworden van de zonnepanelen, buigt de rechter zich eerst over de kwestie of het zonnepark als een roerende of onroerende zaak moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn onroerend die gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij indirect door vereniging met andere gebouwen of werken. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een (indirecte) duurzame vereniging, gaat het erom of het betreffende bouwwerk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Bij de beoordeling of van duurzame vereniging met de grond sprake is, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Niet van belang is dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwwerk te verplaatsen. Dit is sinds het Portacabin-arrest (HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478) de vaste jurisprudentie.

Gelet op de vormgeving van het zonnepark vormden de zonnepanelen, met het metalen frame bevestigd op betonnen palen die in de grond waren ingegraven, volgens de rechter zowel visueel als functioneel een onlosmakelijk geheel met de overige onderdelen op het terrein zoals de omvormers, de verdeelkast en het transformatorhuis. De rechtbank is daarom van oordeel dat het zonnepark naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, welke bestemming ook naar buiten toe kenbaar was. Het zonnepark is daarom te beschouwen als een onroerende zaak.

Gemeente door natrekking eigenaar zonnepark

Wanneer een zaak een onzelfstandig onderdeel van een andere zaak vormt, zoals de zonnepanelen waarvan de rechter bepaalde dat deze duurzaam met de grond zijn verenigd, gaat het eigendom hiervan op in het eigendom van de hoofdzaak, in casu de grond. Eigendom en andere zakelijke rechten zijn immers slechts bestaanbaar met betrekking tot een zaak in zijn geheel. Zogenaamde ‘bestanddelen’ van een zaak kunnen niet op zichzelf als zaak worden beschouwd (artikelen 5:3, 5:14 en 5:20 BW). Men spreekt in dit geval van natrekking. Met plaatsing van het zonnepark op de grond op de wijze zoals gedaan, is het eigendom van de grond hiermee volgens de rechter ook het eigendom van het zonnepark gaan omvatten. Dit maakt dat de gemeente als eigenaar en verhuurder van de grond door natrekking ook eigenaar van het zonnepark is geworden. Slechts de vestiging van een opstalrecht had die natrekking kunnen voorkomen. Echter hebben partijen geen recht van opstal gevestigd met betrekking tot het zonnepark, wat met zich brengt dat het eigendom van het zonnepark nooit bij de coöperatie heeft gelegen. Gelet op het voorgaande is er dan ook geen sprake van verkoop van zaken die (mede) aan de coöperatie toebehoorden.

Gevolgen van de uitspraak

Dat natrekking tot gevolg kan hebben dat de gemeente eigenaar wordt van zonnepanelen die door een coöperatie zijn aangekocht, is een mogelijkheid waarmee niet veel partijen rekening zullen hebben gehouden. Niet bekend is of tegen deze uitspraak hoger beroep is of zal worden aangetekend. Mocht deze uitspraak stand houden, wat voor de hand ligt, dan doet zich de vraag voor in hoeverre deze uitspraak leidt tot onrust bij exploitanten van zonneparken. Duidelijk is in ieder geval al wel dat de wijze waarop het zonnepark is vormgegeven en technisch is ingericht, van belang is. Wij volgen de ontwikkeling van de jurisprudentie op dit punt met belangstelling.

Share This