Op 20 december 2017 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een interessante uitspraak gedaan over wie kan worden aangemerkt als overtreder van artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb).

Achtergrond

Appellante is sinds 2014 door vererving mede-eigenaar van een perceel te Koekange. Op het perceel zijn restanten van de afgebrande woning gestort. In 2014 zijn deze restanten in opdracht van de andere erfgenaam en mede-eigenaar ontdaan van andere materialen dan grond en puin. Met behulp van een loonwerker is de grond en het puin verplaatst en afgedekt met grond, afkomstig van het eigen perceel.

Uit bodemonderzoek is gebleken dat in de wal, waarin de grond en het puin is opgeslagen, asbest en verhoogde concentraties aan koper, PAK en zink zijn aangetroffen. Het college heeft appellante als zijnde erfgenaam bij besluit van 24 mei 2016 aangeschreven wegens overtreding van artikel 13 Wbb en artikel 10.2 Wet milieubeheer (Wm). Het college heeft appellante gelast om de in de aarden wal aangebrachte partij verontreinigde grond en puin op het perceel op de daarvoor wettelijk voorgeschreven wijze af te laten voeren.

Overtreder of niet?

Appellante betoogt dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Zij voert daartoe aan dat de handelingen waartegen het college optreedt niet aan haar kunnen worden toegerekend. Zij heeft de grond niet zelf verplaatst en zij heeft ook geen opdracht gegeven aan een bedrijf om die grond te verplaatsen. Volgens appellante merkt het college haar ten onrechte aan als overtreder, enkel omdat zij mede erfgenaam is van het perceel.

De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2978, dat om iemand aan te kunnen merken als overtreder van artikel 13 Wbb is vereist dat diegene handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 heeft verricht. Dit geldt tevens als diegene niet zelf de bedoelde handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend, omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem, of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. De zorgplicht is niet zonder meer gericht tot degene die feitelijk in staat is om een verontreiniging te voorkomen of ongedaan te maken. Eerst indien iemand zelf de bedoelde handelingen heeft verricht dan wel die handelingen aan hem kunnen worden toegerekend, en hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, rust op hem de plicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de verontreiniging of aantasting te voorkomen of ongedaan te maken.

In de onderhavige kwestie is van belang dat appellante zelf geen handelingen, dus ook geen handelingen als bedoeld in artikel 6, op het perceel heeft verricht. Naar het oordeel van de Afdeling had appellante ook anderszins geen betrokkenheid bij de op het perceel aangetroffen verontreiniging waardoor de verrichte handelingen aan haar zouden moeten worden toegerekend. Dat appellante de andere mede-eigenaar heeft gesommeerd het puin op het perceel op te ruimen, acht de Afdeling onvoldoende voor dat oordeel. Er was slechts sprake van een in algemene bewoordingen geformuleerde sommatie dat het puin op het perceel moest worden opgeruimd. Er is niet gebleken dat appellante op enige wijze betrokken is geweest bij het afgraven van de restanten van de woning op de oude locatie, het verplaatsen van de grond en het puin en het oprichten van de aarden wal. De Afdeling betrekt daar nog bij dat appellante juist heeft aangegeven dat het puin op een deugdelijke manier moest worden opgeruimd. Ook het feit dat appellante het bedrag dat door het ingeschakelde bedrijf was gefactureerd heeft voorgeschoten, leidt niet tot een ander oordeel. Appellante kan naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet als overtreder van artikel 13 Wbb worden aangemerkt.

Bron: ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3484.

Share This