water moni 4Op 3 februari 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak gewezen over de Waterwet. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de bevoegdheidsverdeling tussen bestuursorganen als sprake is van een handeling of een samenstel van handelingen ten aanzien waarvan meerdere bestuursorganen bevoegd zijn. In het verlengde daarvan gaat de Afdeling in op de vraag of bij de bepaling van het bevoegd gezag, van belang is ten behoeve van welk doeleinde de handeling primair plaatsvindt.

Wat was er aan de hand?

In de voorliggende zaak is sprake van één handeling in een watersysteem voor meerdere doeleinden: een grondwateronttrekking met een maximale hoeveelheid van 1.800.000 m3 per jaar die plaatsvindt wegens grondwatersanering; na zuivering wordt het grondwater ingezet als koelwater (industriële toepassing).

Op grond van de Keur van het betreffende waterschap is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken. Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap heeft voor de betreffende activiteit een watervergunning verleend. De onttrekking van meer dan 150.000 m3 grondwater ten behoeve van industriële toepassing is echter ook vergunningplichtig op grond van artikel 6.4, eerste lid aanhef en onder a, van de Waterwet. In dit artikel zijn gedeputeerde staten aangemerkt als bevoegd gezag. In de procedure bij de Afdeling ligt de vraag voor wie bevoegd is om op de aanvraag te beslissen.

Artikel 6.17, eerste lid, van de Waterwet biedt uitkomst in een dergelijk geval. In dit artikel is bepaald dat de vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen door het bestuursorgaan van het hoogste gezag. De rechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat GS niet bevoegd zijn, omdat de aanvraag primair ziet op grondwateronttrekking ten behoeve van de grondwatersanering en niet op het gebruik als koelwater, zodat geen sprake is van een industriële toepassing.

Hoe oordeelt de Afdeling?

De Afdeling gaat hier niet in mee. Volgens de Afdeling biedt artikel 6.4 eerste lid aanhef en onder a, van de Waterwet geen ruimte voor de uitleg dat van een grondwateronttrekking ten behoeve van een industriële toepassing geen sprake is indien de onttrekking primair ten behoeve van een ander doeleinde plaatsvindt. Deze bepaling moet van toepassing worden geacht zodra uitsluitend óf mede wordt onttrokken ten behoeve van een industriële toepassing en de drempel van 150.000 m3 per jaar wordt overschreden. GS had daarom moeten beslissen op de aanvraag.

Wat kunt u met deze uitspraak?

Uit deze uitspraak volgt dat bij de bepaling van het bevoegd gezag op grond van de Waterwet niet van belang is ten behoeve van welk doeleinde de handeling in het watersysteem primair plaatsvindt. De onderhavige uitspraak ziet op artikel 6.4, eerste lid aanhef en onder a van de Waterwet. Er is echter geen reden om aan te nemen dat eenzelfde regel niet geldt ten aanzien van de andere bij of krachtens de Waterwet verboden handelingen in watersystemen als dan ook sprake is van verschillende bevoegde gezagen.

In de onderhavige uitspraak is de watervergunning door het Waterschap verleend na overleg met GS. Beide bestuursorganen lijken zich niet te hebben gerealiseerd dat GS bevoegd is om op de aanvraag te beslissen. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, van de Waterwet kunnen de betrokken bestuursorganen afwijken van de hoofdregel in dat artikel en gezamenlijk bepalen wie het bevoegd gezag is. Bij twijfel omtrent de vraag wie het bevoegd gezag is, kan door gebruikmaking van deze mogelijkheid een rechterlijke vingerwijzing worden voorkomen.

Bronnen: AbRvS 3 januari 2016, nr. 201504018/1/A4 en Rb. Gelderland 7 april 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2332, r.o. 10.

Share This