mriaIWMDe Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een uitspraak gedaan over de veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen op grond van  de Waterwet in het licht van het relativiteitsvereiste. Met deze uitspraak is duidelijk dat de bescherming die uitgaat van de reikwijdte van de in de Waterwet geformuleerde doelstellingen ruim wordt uitgelegd.

Wat was er aan de hand?

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een watervergunning verleend voor ingrepen en werkzaamheden in het watersysteem voor de aanleg van een nieuwe vaarweg “Vaarweg Bochtafsnijding Delftse Schie”. De werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend bestaan onder andere uit het graven en dempen van oppervlaktewater, het aanleggen en vergraven van (regionale) waterkeringen en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

De Vereniging tegen Milieubederf en de Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Noordrand Rotterdam (hierna: de Verenigingen) hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. De Verenigingen betogen dat in de vergunning een te lage veiligheidsnorm is opgenomen, waardoor de omgeving bij de waterkering aan de oostzijde van de nieuwe vaarweg ontoereikend wordt beschermd tegen overstromingen.

Oordeel rechtbank

Tot een inhoudelijk oordeel van de beroepsgronden komt de rechtbank niet. De statutaire belangen hebben betrekking op de bescherming van natuur, landschap, de ingezetenen van het Rijnmondgebied en milieu tegen verontreiniging en geluidhinder.  De rechtbank oordeelt vervolgens dat bescherming tegen wateroverlast door overstroming niet onder de statutaire belangen van de Verenigingen valt. Kortom: het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat in de weg aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

Oordeel Afdeling

De Verenigingen gaan in hoger beroep en betogen dat de rechtbank hen ten onrechte het relativiteitsvereiste heeft tegengeworpen, nu zij blijkens hun statuten opkomen voor de bescherming van een gezond leefmilieu. De Afdeling gaat mee in dit betoog. De veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen beogen bescherming te bieden tegen overstromingen. Bescherming tegen overstromingen dient de belangen van ingezetenen van het Rijnmondgebied en omgeving bij het behouden van een gezond leefmilieu, en bevordert de natuur- en landschapsbescherming. Dit zijn belangen die door de statuten van de Verenigingen worden behartigd. De door de Verenigingen ingeroepen rechtsregel – namelijk de veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen – strekt dus eveneens tot bescherming van de belangen van de Verenigingen.

De Verenigingen vangen echter bot: de Afdeling verklaart het hoger beroep uiteindelijk op inhoudelijke gronden ongegrond.

Belang van de uitspraak

Hoewel de Verenigingen uiteindelijk niet bereiken wat ze voor ogen hadden, is dit wegens de overwegingen van de Afdeling ten aanzien van het relativiteitsvereiste  een interessante uitspraak. De rechtbank kende aan de statutaire doelstellingen slechts een smal bereik toe. De Afdeling kiest echter voor een bredere kijk: onder bescherming van het leefmilieu van omwonenden, natuur en landschap dient ook bescherming van die omwonenden, natuur en landschap
tegen overstromingen te worden gelezen.

Als gevolg van deze uitspraak kunnen belangenverenigingen specifiek gericht op landschapsbescherming en natuur zich ook beroepen op de in de Waterwet opgenomen veiligheidsnormen, als zij menen dat niet-naleving van de veiligheidsnormen de binnendijks  gelegen natuurwaarden of soorten bedreigd. Met deze ruime uitleg dient in vergelijkbare zaken dus rekening gehouden te worden!

Bronnen:
ABRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:523.
Rb Den Haag 27 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10139.

Share This