Bij bronbemaling moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat verontreinigd opgepompt grondwater in het oppervlaktewater wordt geloosd. Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2019 laat zien dat de eigenaar en verhuurder van een bronbemalingsinstallatie niet zonder meer als overtreder kan worden aangemerkt.

Waar ging de zaak over?

In de onderhavige zaak verhuurt en installeert een bedrijf bronbemalingsinstallaties voor verschillende projecten. Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland (het college) constateert in een tijdsbestek van ruim vier jaar vijf grondwateronttrekkingen en lozingen zonder de benodigde vergunning en zonder het doen van een melding. De lozingen hebben volgens het college tot meerdere visuele verontreinigingen geleid. Een en ander leidt tot overtredingen van de Waterwet, het Besluit lozen buiten inrichtingen en de Keur waterschap Rivierenland 2014. Daarop besluit het college handhavend op te treden en een last onder dwangsom op te leggen aan de eigenaar van de bronbemalingsinstallaties. Volgens het college is het namelijk de eigenaar die in de hoedanigheid van verhuurder van de installatie als overtreder kan worden aangemerkt. Tegen de invordering van de opgelegde dwangsom ter hoogte van € 14.000,- komt het bedrijf vervolgens op.

Oordeel Afdeling

Op grond van artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Daarvan kan sprake zijn wanneer een burger of bedrijf de verboden handeling fysiek heeft verricht of wanneer de overtreding niet feitelijk door de burger of het bedrijf zelf is begaan, maar de handeling wel aan de burger of het bedrijf kan worden toegerekend.

De Afdeling is van oordeel dat het bedrijf de verboden handelingen pas fysiek kan hebben verricht als het de bronbemalingsinstallatie zelf heeft aangezet. Volgens de Afdeling staat slechts ten aanzien van één van de vijf voorliggende data vast dat het bedrijf het oppompen van grondwater in gang zou hebben gezet door de installatie fysiek aan te zetten. Ten aanzien van de vier overige data staat dit niet vast. De overige ‘handelingen’ van het bedrijf, namelijk het verhuren, het installeren en het (na afloop van een project) opruimen van de bronbemalingsinstallatie gelden volgens de Afdeling niet als fysieke handelingen op grond waarvan het bedrijf als overtreder zou kunnen worden aangemerkt.

Uit de uitspraak blijkt dat dit mogelijk anders is als een bronbemalingsbedrijf zelf een bij een vergunning van dat bronbemalingsbedrijf behorend vergunningvoorschrift overtreedt. Dit onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 1 september 2004, waarin de Afdeling oordeelde dat in dit geval in de enkele levering en installatie van bronbemalingsapparatuur wél grond bestond voor het aanmerken van de leverancier als mede-overtreder. Ondanks dat een opdrachtgever in deze zaak op grond van zijn verantwoordelijkheden was aan te merken als overtreder van een lozingsverbod, heeft het bedrijf dat zorg droeg voor de levering en de installatie van de bronbemalingsapparatuur achterwege gelaten tenminste een week voor het aanvangen van de werkzaamheden daarvan melding te maken, waartoe de leverancier op grond van de vergunning wel verplicht was. In de onderhavige casus is deze situatie echter niet aan de orde, omdat het volgens de Afdeling om ‘hele andere overtredingen’ gaat.

Het bedrijf kan evenmin als overtreder van de grondwateronttrekkingen op de overige vier data worden aangemerkt, omdat het bedrijf niet de eigenaar van de grond is waar de overtredingen hebben plaatsgevonden en niet de opdrachtgever of eindverantwoordelijke van de projecten was. Naar het oordeel van de Afdeling is het enkele feit dat het bedrijf eigenaar is van de pompinstallaties onvoldoende om het verantwoordelijk te houden voor handelingen die anderen met de installatie hebben verricht.

Belang voor de praktijk

Een burger of bedrijf kan een verboden handeling pas fysiek hebben verricht als het een bronbemalingsinstallatie zelf heeft aangezet. Overige ‘handelingen’, zoals het leveren, verhuren, installeren en na afloop opruimen van de installatie gelden volgens de Afdeling niet als fysieke handelingen op grond waarvan een burger of bedrijf als overtreder kan worden aangemerkt. Het enkel in eigendom hebben van een bronbemalingsinstallatie is niet voldoende om een overtreding aan een burger of bedrijf toe te rekenen. Dit kan anders zijn indien de eigenaar van de bronbemalingsinstallatie ook eigenaar is van de grond waar de overtreding heeft plaatsgevonden en/of opdrachtgever of eindverantwoordelijke van het project dat tot de overtreding heeft geleid.

Lees hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019.

Share This