In corona-tijd roept de minister voor Milieu en Wonen gemeenten en veiligheidsregio’s op om met ‘menselijke maat’ te handhaven op illegale permanente bewoning van recreatiewoningen. Hierover schreven wij eerder al een blogbericht. Een uitspraak van 22 april jl. laat zien hoe gemeenten hiermee concreet moeten omgaan. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant schorst een opgelegde last onder dwangsom tot 1 juli 2020, zodat de betreffende bewoner vanwege de coronacrisis de tijd krijgt om een nieuw onderkomen te vinden.

Waar ging de zaak over?

Het college van B en W van de gemeente Reusel-De Mierden (het college) heeft in oktober 2019 de bewoner van een vakantiehuisje op een recreatiepark in Lage Mierde een last onder dwangsom opgelegd vanwege de illegale permanente bewoning van dit huisje. De bewoning is in strijd met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2009” en de op het perceel rustende recreatieve bestemming. Voor iedere week dat de bewoner na 1 maart 2020 in het vakantiehuisje verblijft, verbeurt hij een dwangsom van € 2.500 per week, met een maximum van € 25.000.De bewoner maakt bezwaar tegen het dwangsombesluit en dient een verzoek om voorlopige voorziening in. Vooruitlopend op de zitting heeft de voorzieningenrechter het dwangsombesluit geschorst.

De zitting vindt plaats door middel van een Skype-verbinding. Tijdens de zitting geeft het college aan dat het dit bezwaarschrift op 21 april jl. ongegrond heeft verklaard en de begunstigingstermijn niet heeft gewijzigd. Tussen partijen is overigens niet in geschil dat er sprake is van permanente bewoning: de man geeft tijdens de (digitale) zitting duidelijk aan dat hij woont in de recreatiewoning en daar ook in wil blijven wonen.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelt dat het permanent bewonen van het huisje inderdaad in strijd is met het bestemmingsplan. En dat de bewoner al jarenlang in het vakantiehuisje woont, is geen bijzondere omstandigheid die handhavend optreden onevenredig maakt. De gemeente treedt niet alleen op tegen deze specifieke bewoner, maar ook tegen anderen die vakantiehuisjes illegaal permanent bewonen. Ook het feit dat verzoeker de dwangsommen niet kan betalen, is geen bijzondere omstandigheid. De dwangsommen zijn bedoeld om verzoeker te bewegen de recreatiewoning te verlaten. Het betalen van de dwangsommen leidt er niet toe, dat verzoeker de recreatiewoning mag blijven bewonen.

Ondanks het feit dat de coronacrisis is ontstaan na het dwangsombesluit, oordeelt de voorzieningenrechter dat op dit moment redelijkerwijs niet van verzoeker kan worden gevraagd om de recreatiewoning direct te verlaten. De crisis en de afgekondigde maatregelen leiden ertoe toe dat verzoeker niet op korte termijn kan verhuizen naar een andere woning. Door de dwangsommen die hem boven het hoofd hangen zal hij zich daartoe mogelijk wel genoodzaakt voelen. Dit zou kunnen betekenen dat hij op straat komt te staan. En dat kan niet in deze tijd en onder de huidige omstandigheden. Verzoeker is er ook niet mee geholpen dat het college bereid is pas over te gaan tot invordering van de dwangsommen na 1 juli 2020. Het bedrag loopt immers ondertussen gewoon op.

De voorzieningenrechter schorst daarom de last onder dwangsom en het besluit op bezwaar tot 1 juli 2020. Deze schorsing heeft echter geen terugwerkende kracht, de inmiddels verbeurde dwangsommen blijven dus verschuldigd. Overigens gaat de voorzieningenrechter er wel van uit dat het college ook deze dwangsommen niet voor 1 juli 2020 gaat invorderen.

Tot slot

Kortom, handhaving van illegale permanente bewoning gaat in deze tijden van corona anders dan normaal gesproken het geval is. In deze tijd is het niet de bedoeling dat de bewoner van een recreatiewoning door dreigende dwangsommen op straat komt te staan. Dat betekent dat een langere begunstigingstermijn moet worden opgelegd, om te handhaven ‘met menselijke maat’. Of 1 juli a.s. inderdaad lang genoeg is, dat is nu nog niet duidelijk.

Lees hier ons eerdere blogbericht over handhaving in corona-tijd en raadpleeg hier de volledige uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant. ECLI:NL:RBOBR:2020:2349.

Share This