In de Wet bodembescherming is in artikel 13 de zorgplicht neergelegd. In het geval er een bodemverontreiniging optreedt, verplicht dit artikel tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. In een uitspraak van 4 maart jl. deed zich de vraag voor of sprake was van een nieuw geval van bodemverontreiniging waarop de zorgplicht wel, of een historische bodemverontreiniging waarop de zorgplicht niet van toepassing is.

Waar ging de zaak over?

Op de voormalige stortplaats “De Belt” in Wekerom, die vanaf 1929 tot 1988 in gebruik is geweest, wordt een uitkijktoren gerealiseerd. Omwonenden stellen dat gedurende de werkzaamheden bij het aanbrengen van de fundering van de uitkijktoren de afdeklaag beschadigd is geraakt, die in 1993 op de vuilstortplaats is aangebracht. Zodoende zijn verontreinigd water en zand door de afdeklaag naar buiten gestroomd. Een handhavingsverzoek van omwonenden, op grond van in artikel 13 van de Wbb neergelegde zorgplicht, wijst het college van gedeputeerde staten van Gelderland echter af. De bodemverontreiniging is volgens het college een zogenoemde historische verontreiniging. Artikel 13 van de Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en geldt voor verontreinigingen van de bodem die op of na die datum zijn ontstaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de bodem van de voormalige stortplaats een historisch geval van bodemverontreiniging aanwezig is, dat is veroorzaakt vóór 1 januari 1987. Ook is duidelijk dat de handelingen bij het plaatsen van de fundering van de uitkijktoren op zichzelf niet kunnen leiden tot een verontreiniging of aantasting van de bodem. Omwonenden betogen echter dat de verspreiding van de historische bodemverontreiniging zoals hier aan de orde, is aan te merken als een nieuw geval van bodemverontreiniging. Nu artikel 13 ziet op een handeling als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wbb (‘grond- en funderingswerken’) en in dit geval sprake was van de plaatsing van een fundering, geldt de zorgplicht volgens omwonenden onverminderd.

Heeft het college in dit geval handhavend optreden kunnen weigeren?

Oordeel Afdeling

Ja, aldus de Afdeling.

In eerdere jurisprudentie heeft de Afdeling al overwogen dat de verspreiding van een historische mobiele verontreiniging niet met zich brengt dat een nieuw geval van verontreiniging ontstaat. Als die verspreiding plaatsvindt door het enkel verrichten van handelingen die op zichzelf niet kunnen leiden tot een verontreiniging of aantasting van de bodem, is evenmin sprake van een nieuw geval van verontreiniging waarvoor de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb geldt.

Uit de formulering van artikel 13 blijkt dat die bepaling alleen geldt voor handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11, die op zichzelf een verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg kunnen hebben. Waar de omwonenden het plaatsen van de fundering van de uitkijktoren aanmerkten als een handeling uit artikel 8 van de Wbb, is dat dus niet terecht. De zorgplicht is pas aan de orde bij die handelingen waardoor mogelijk verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt.

Het gaat hier kortweg om een historische verontreiniging, waarop het daarvoor geldende wettelijke regime van toepassing is. Het college was daarom inderdaad niet bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 13 van de Wbb.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2020.

ECLI:NL:RVS:2020:669.

Share This