RekenmachineDe Afdeling heeft op 10 december 2014 uitspraak gedaan over het verrekenen van waardevermindering van percelen met waardevermeerdering als gevolg van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2014:4489). Deze uitspraak is het vervolg op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 19 maart 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:3239). De rechtbank had het beroep tegen de afwijzing van vergoeding van planschade gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

In deze zaak speelde de vraag of waardevermindering en –vermeerdering met elkaar mogen worden verrekend. Appellant 1, appellante 2 en appellante 3 hadden tezamen verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO, omdat vier van hun percelen in waarde waren gedaald als gevolg van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Met de inwerkintreding van het bestemmingsplan waren de planologische mogelijkheden voor glastuinbouw op de vier percelen te komen vervallen. De rechtbank oordeelde dat de planschade per saldo nihil is, omdat de gezamenlijke waarde van de percelen op de peildatum was gedaald, maar de waarde van een vijftal andere percelen, waarvan appellanten gezamenlijk eigenaar waren, was gestegen.

In hoger beroep voeren appellanten aan dat appellant 1 en appellante 2 voor de verrekening ten onrechte als één rechtssubject zijn aangemerkt. Nu appellant 1 op de peildatum enig aandeelhouder en bestuurder van appellante 2 was, mocht volgens de rechtbank verrekening plaatsvinden. De percelen die destijds in eigendom van appellante 2 waren, behoorden door middel van aandelen in economische zin tot het vermogen van appellant 1. De Afdeling bevestigt dit oordeel van de rechtbank en voegt eraan toe dat de afscheiding van het vermogen in juridische zin niet relevant is in het kader van de vraag of appellant 1 schade heeft geleden die redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven.

Voorts werd door appellanten betoogd dat geen voordeelverrekening kon plaatsvinden. De vaststelling van de positieve bestemming was tijde van de aankoop van de percelen die in waarde zouden zijn gestegen al voorzienbaar (omgekeerde werking risico-aanvaarding), waardoor de meerwaarde was verdisconteerd in de koopprijs. Door de hogere aankoopprijs van de percelen genoten appellanten dus per saldo geen voordeel. De Afdeling verwerpt de beroepsgrond door op te merken dat de voordeelverrekening, kennelijk, niet plaatsvindt bij de waardering maar al bij de planologische vergelijking. Daarom was de door appellanten betaalde koopprijs niet relevant.

De uitspraak van de Afdeling betreft een interessant oordeel, daar voordeelverrekening in het privaatrecht gebeurt op het niveau van de schade en niet de causaliteit zoals hier wel lijkt te gebeuren.

Share This