De Afdeling heeft op 19 juli jl.  geoordeeld dat het voordeel dat voortvloeit uit een schadeoorzaak enkel met het nadeel mag worden verrekend als er daadwerkelijk sprake is van een voordeel.

Wat was er aan de hand?
Appellant was eigenaar van een perceel met woning gelegen. Op 20 maart 2009 trad het bestemmingsplan “Medemblik-Binnenstad” in werking, dat het mogelijk maakt om op het naastgelegen perceel een hotel/restaurant te realiseren met een goot- en nokhoogte van maximaal 11 m respectievelijk 15 m. Volgens appellant is daardoor de bouwmassa toegenomen. In verband met dit nadeel heeft appellant verzocht om een tegemoetkoming in planschade. Op advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (de Saoz) hebben B&W het verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van een nadeligere positie voor appellant. In bezwaar heeft de Saoz haar advies herzien en geconcludeerd dat het bestemmingplan geen significante wijziging van de bouwmassa met zich meebrengt, omdat de bouwdiepte afneemt van 20,95 m naar 15 m. Het verschil in bouwdiepte van onder het overgangsrecht en wordt daarom als zodanig niet betrokken bij de planvergelijking. In hoger beroep voert appellant aan dat de bouwdiepte van 20,95 m wel in de planvergelijking moet worden betrokken, omdat hiervoor een vrijstelling met bouwvergunning was verleend en niet wordt beoogd om binnen de planperiode een einde te maken aan deze met het bestemmingsplan strijdige situatie.

Hoe oordeelt de rechtbank/Afdeling?
Op grond van artikel 6.1.3.4 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening mogen de voor- en nadelen van een planologische wijziging voor de vaststelling van de te vergoeden planschade met elkaar worden verrekend (zie bijv. AbRvS 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3022). De Saoz heeft het nadeel ten aanzien van de grotere goot- en nokhoogte (van 8,1 m/12,5 m naar 11 m/15 m) verrekend met het voordeel als gevolg van de in het bestemmingsplan opgenomen bouwdiepte (van 20,95 m naar 15 m). Ter zitting is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen voornemen bestond om binnen de planperiode een einde te maken aan de strijdige bouwdiepte van 20,95 m. Evenmin bestond de verwachting dat de eigenaar van het perceel de bebouwing zou gaan afbreken. Daarom was er geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting dat de met het nieuwe bestemmingsplan strijdige situatie zou worden opgeheven. Volgens de Afdeling had de Saoz daarom niet de afname van de bouwdiepte van 20,95 m naar 15 m mogen aanmerken als een voordeel en mocht dit voordeel niet worden verrekend met de toegenomen goot- en nokhoogte. De Afdeling geeft B&W de opdracht dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Wat kunt u met deze uitspraak?
Deze (tussen)uitspraak laat zien dat verrekening van een voordeel als gevolg van een schadeoorzaak enkel aan de orde kan zijn indien er daadwerkelijk sprake is van een voordeel dat binnen de planperiode aanwezig is of ontstaat.

Share This