BoekenDe Afdeling heeft eerder in haar uitspraak van 27 augustus 2014 geoordeeld dat niet mag worden besloten dat een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo nooit is vereist, voor gevallen waarin wordt afgeweken van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Artikel 6.5 van het Bor staat hier aan in de weg. Dat artikel bepaalt dat categorieën mogen worden aangewezen waarvoor geen verklaring is vereist. In haar uitspraak van 9 maart jl. oordeelt de Afdeling dat het wel is toegestaan artikel 6.5 van het Bor zo uit te leggen dat geen verklaring nodig is, tenzij zich een bepaalde categorie gevallen voordoet.

Hoe zit het

Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) bepaalt dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) als bedoeld in artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen (hierna: Wabo) moet afgeven, indien met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo wordt afgeweken van een bestemmingsplan. De gemeenteraad mag categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist, ingevolge het derde lid van artikel 6.5 van het Bor. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat deze bepaling niet zo moet worden uitgelegd dat wordt besloten dat nooit een vvgb vereist is voor toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Een dergelijk besluit acht de Afdeling onverbindend omdat de bevoegdheid tot het maken van uitzonderingen naar zijn aard niet kan worden gebruikt om de hoofdregel dat wel een vvgb is vereist te omzeilen. In de uitspraak van 9 maart jl. heeft de Afdeling de (on)mogelijkheden van het derde lid van artikel 6.5 van het Bor nader begrensd.

Wat was er aan de hand

Aan de uitspraak van 9 maart jl. ligt de volgende casus ten grondslag. Het college van B&W van Epe heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van zorgwoningen, die plaats bieden aan 28 ouderen. Omdat het project in strijd is met het bestemmingsplan “Centrum Epe” heeft het college de vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo. Appellanten wonen in de omgeving van de voorziene groepszorgwoningen en vrezen dat realisatie daarvan hun woon- en leefklimaat, privacy en uitzicht zal aantasten. Zij voeren onder andere aan dat het college in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor ten onrechte geen vvgb heeft verkregen van de gemeenteraad. De raad heeft een besluit genomen waarin geen categorieën van gevallen zijn aangewezen waarin geen vvgb is vereist, maar categorieën van gevallen waarin een dergelijke verklaring wél is vereist. Dit besluit acht appellant onverbindend, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014.

Oordeel Afdeling

De Afdeling overweegt dat het besluit van de gemeenteraad van Epe niet inhoudt dat nooit een vvgb is vereist. De raad heeft besloten dat geen vvgb is vereist tenzij zich één van de in dat besluit vermelde categorieën van gevallen voordoet. Zo blijft er volgens de Afdeling een categorie gevallen over waarvoor wel een vvgb is vereist, en een categorie gevallen waarvoor de vvgb niet nodig is. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen beperking inhoudt voor de categorieën die kunnen worden opgenomen in de aanwijzing. Het besluit van de gemeenteraad is dan ook in overeenstemming met de wet.

Relevantie voor de praktijk

Het is dus niet toegestaan te bepalen dat nooit een vvgb is vereist voor omgevingsvergunningen waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder c, onder 3, van de Wabo. Wél kunt u categorieën gevallen opnemen waarvoor een vvgb is vereist. De overige gevallen behoeven dan geen vvgb, voorafgaand aan vergunningverlening. In de praktijk is er dus meer mogelijk dan tot voorheen werd gedacht. Kortom: bedenk goed wat je wil regelen!

Bronnen: AbRvS 9 maart 2016, nr. 201504277/1/A4 en AbRvS 24 augustus 2014, nr. 201310261/1/A1.

Share This