Home Kennis Update: hoe staat de houdbaarheid van artikel 6:13 Awb in milieuzaken ervoor?

Update: hoe staat de houdbaarheid van artikel 6:13 Awb in milieuzaken ervoor?

25 november 2020
Marije van Mannekes
en
Roelof Reinders

In een recente blogpost wezen wij al op de conclusie van Advocaat-Generaal Bobek naar aanleiding van prejudiciële vragen over het toepassen van het Nederlandse artikel 6:13 Awb. In deze conclusie beargumenteert Bobek dat het artikel, waarmee het indienen van een zienswijze tijdens de bestuurlijke voorprocedure als voorwaarde wordt gesteld voor toegang tot de bestuursrechter, in milieuzaken niet langer houdbaar is met het oog op Europees recht, met name het Verdrag van Aarhus. Dat bepaalt waar het gaat om milieuaangelegenheden immers dat “leden van het betrokken publiek die een voldoende belang hebben dan wel stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht” toegang tot een rechterlijke instantie zouden moeten hebben. Daarnaast is het recht op toegang tot een rechter in richtlijn 2011/92 en richtlijn 2010/75 vastgelegd. Hoewel de uitspraak van het Hof voorlopig nog op zich laat wachten heeft de conclusie van A-G Bobek toch al effect op de Nederlandse rechtspraktijk, zo blijkt uit een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling.

Artikel 6:13 tijdelijk buiten beschouwing?

De voorzieningenrechter van de Afdeling besloot in een uitspraak van 23 oktober 2020 namelijk – met verwijzing naar de conclusie van A-G Bobek en de aanhangige Europese zaak – ‘in het midden te laten’ of het beroep van belanghebbende in kwestie ontvankelijk was. Belanghebbende had geen zienswijze ingediend en zou dus volgens artikel 6:13 Awb geen toegang tot de bestuursrechter hebben. De Afdeling oordeelde anders. Door de ontvankelijkheid van belanghebbende in het midden te laten, kwam de rechter namelijk wel toe aan een inhoudelijke toetsing van de zaak en had belanghebbende dus wél toegang tot de bestuursrechter. Uiteindelijk bleek belanghebbende hier zelf weinig aan te hebben, omdat het spoedeisend belang dat nodig is voor het wijzen van een voorlopige voorziening ontbrak. Dat de rechter de zaak ondanks het feit dat niet is voldaan aan artikel 6:13 Awb, inhoudelijk tóch toetst, is opvallend te noemen. Nu de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure blijft het nog wel even de vraag of de rechter deze lijn ook daar zal volgen. Wij volgen verdere ontwikkelingen met belangstelling!

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2020:2501 en hier de conclusie van A-G Bobek, zaak C‑826/18.