Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet niet alleen worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk wordt opgericht met het oog op dat gebruik. Een bouwwerk moet in strijd met de bestemming worden geoordeeld als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus jl.

Wat was er aan de hand?

X is eigenaar van een woning met tuin, waarin een vijver ligt. Aan de achterkant van de vijver loopt een houten vlonder en naast de vlonder staat een muurtje van natuursteen. De door X aangevraagde omgevingsvergunning voor de vlonder en het muurtje  is door het college van B&W van Schouwen-Duiveland geweigerd omdat sprake zou zijn van strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Het stuk grond waarop de vlonder met muur ligt is volgens het college namelijk bedoeld voor andere doeleinden, waaronder “landschappelijke afscherming door opgaande beplanting”.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat het gebruik van de vlonder en het muurtje niet in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens de rechtbank kan de bestemming “landschappelijke afscherming door opgaande beplanting” met de huidige situering van de vlonder en het muurtje gewoon gerealiseerd worden. De omgevingsvergunning is daarom door de rechtbank alsnog verleend.

Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van de vlonder en het muurtje als onderdeel van de tuin wél in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het college is  niet alleen relevant of het muurtje en de vlonder overeenkomstig de bestemming kunnen worden gebruikt, maar ook of ze daadwerkelijk voor dat doel gebruikt zullen worden.

Oordeel Afdeling

De Afdeling volgt het betoog van het college, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van 2 november 2016. Zij overweegt dat uit de foto’s blijkt dat de vlonder en het muurtje bedoeld zijn om deel uit te maken van de tuin van X en ook als zodanig worden gebruikt. Het maakt volgens de Afdeling niet uit dat ondanks de aanwezigheid van de vlonder en het muurtje, nog steeds landschappelijke afscherming door opgaande beplanting kan worden gerealiseerd. De vlonder en het muurtje worden immers niet gebruikt ten behoeve van landschappelijke afscherming dan wel anderszins ten behoeve van de bestemming. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, zodat de omgevingsvergunning alsnog is geweigerd.

Gevolgen voor de praktijk

Met deze uitspraak wordt benadrukt dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag niet alleen relevant is óf een bouwwerk overeenkomstig de bestemming gebruikt kan worden, maar ook – en primair – hóe het bouwwerk zal worden gebruikt. Als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet, is sprake van strijd met het bestemmingsplan.

Bronnen: AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201606358/1/A1 en AbRvS 2 november 2016, nr. 201508078/1/A1.

you're currently offline

Share This