stenenBij besluit van 29 september 2014 heeft de gemeenteraad van Huizen een bestemmingsplan vastgesteld, waar appellant beroep tegen heeft ingesteld. Hij betoogt dat ten onrechte een aantal van de in zijn panden gevestigde bestaande bedrijven niet als zodanig zijn bestemd.

De Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’ is opgesteld aan de hand van de brochure van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (hierna: VNG-brochure) en geeft inzicht in milieu-planologische aspecten per bedrijfstype en per specifieke bedrijfssituatie. Volgens de raad is de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’ niet limitatief en kan voor de toelaatbaarheid van een relatief klein bedrijf met geringe milieugevolgen worden aangesloten bij een andere bedrijfsomschrijving met een lagere categorie.

In paragraaf 5.2 en bijlage 5 van deze VNG-brochure staat dat indien een concreet bedrijf gelet op de Staat van Bedrijfsactiviteiten een hogere milieucategorie heeft dan binnen het bestemmingsplan is toegestaan, moet worden nagegaan of het bedrijf op basis van de daadwerkelijke hinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijf met een lagere, wel toelaatbare milieucategorie. Zo ja, dan is het bedrijf pas toegestaan nadat het plan is herzien of toepassing is gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan ontheffing kan worden verleend voor een bedrijf of activiteit met een hogere milieucategorie. De concreet voorgenomen activiteit moet dan qua aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de activiteiten die wel zijn toegestaan.

Oordeel Raad van State

Hieruit volgt dat, in tegenstelling tot wat de gemeenteraad veronderstelt, de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure limitatief bedoeld is. Voorts voorzien de planregels niet in andere typen bedrijven dan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerreinen’ zijn vermeld. Deze uitspraak gaat in tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Roermond, die juist van mening was dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten geen limitatieve opsomming is.

Gelet hierop, en nu niet gebleken is dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’ voor de hiervoor genoemde bedrijven een bedrijfsomschrijving bevat met een categorie van maximaal 3.1, voorziet het plan onbedoeld niet in alle in de panden van appellant gevestigde bedrijven. De raad heeft dit niet onderkend, zodat het plan in zoverre onzorgvuldig en dus in strijd met artikel 3:2 Awb is vastgesteld, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Bron: ABRvS, 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1960

Share This