In vrijwel elke Nederlandse gemeente is regelmatig klokgelui te horen. Kerkklokken kunnen niet alleen luiden vanwege het aanduiden van halve of hele uren, maar ook ter gelegenheid van kerkelijke plechtigheden of vanwege het oproepen van kerkgangers. Kerkklokgelui is weliswaar grondrechtelijk beschermd, maar kan voor omwonenden ook een bron van hinder vormen. In een uitspraak van 30 januari 2020 boog de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich over de vraag of klokgelui van een nieuw te bouwen kerk via een aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift kon worden ingeperkt.

Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen verleent aan een kerkgemeenschap een omgevingsvergunning (strijdig gebruik) voor de bouw van een nieuwe kerk. De kerkgemeenschap wil in de toren van het gebouw graag een klok hangen en die ook daadwerkelijk gaan luiden. Aan de omgevingsvergunning verbindt het college het voorschrift dat bij het aanbrengen van een luidklok in de toekomst door middel van een akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat de geldende geluidsnormen voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ niet worden overschreden. Deze geluidsnormen vloeien voort uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Zo kan een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijven.

De kerkgemeenschap stelt beroep in tegen de aan haar verleende omgevingsvergunning en verzoekt de rechtbank het betreffende voorschrift te vernietigen. Daartoe stelt zij in de eerste plaats dat het voorschrift dat ziet op de luidklok niet aan de omgevingsvergunning verbonden had kunnen worden, omdat in de aanvraag – noch in het bouwplan, noch in de vereiste ruimtelijke onderbouwing – niet in een luidklok is voorzien. Op de bouwtekening is alleen te zien dat het gebouw een klokkentoren heeft met een uitsparing voor een luidklok, maar daarin is geen luidklok ingetekend. Om die reden kan het college hiervoor geen voorschrift opnemen. Daarnaast voert de kerkgemeenschap aan dat het voorschrift in feite neerkomt op een verbod om in de toekomst een luidklok te realiseren, omdat klokgelui van enige betekenis door het voorschrift niet mogelijk zou zijn. Dat is volgens de kerkgemeenschap in strijd met het grondrecht om een godsdienst te belijden, zoals beschermd door artikel 9 EVRM en artikel 6 van de Grondwet. Het voorschrift zou daarmee een ongeoorloofde inperking van dit grondrecht vormen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat het college met het opnemen van het voorschrift niet buiten het kader van de aanvraag is getreden. Volgens de rechtbank leeft bij de kerkgemeenschap immers nog altijd de wens om in de toekomst een luidklok aan te brengen. Dit heeft de kerkgemeenschap ter zitting ook erkend. Volgens de rechtbank betekent dit dat het college, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, bij het afwijken van het bestemmingsplan rekening moet houden met de mogelijkheid dat het vergunde bouwwerk gebruikt zal worden voor het oproepen tot kerkdiensten door middel van klokgelui. Het college mocht daarom aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbinden (ook al kan het daadwerkelijk realiseren van de klok uiteindelijk vergunningvrij).

Hierna behandelt de rechtbank de vraag of het toekomstige klokgelui door middel van het vergunningvoorschrift door het college aan banden mocht worden gelegd.

Klokgelui om kerkgangers op te roepen voor een kerkdienst moet aangemerkt worden als een uiting tot het belijden van een godsdienst die beschermd wordt door artikel 6 van de Grondwet. Dit grondrecht kan alleen worden beperkt bij formele wet of op gronden die uitdrukkelijk zijn vermeld in de bij het grondrecht opgenomen beperkingsgronden. Om die reden is in artikel 2.18, eerste lid, onder c, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (lagere regelgeving) bepaald dat geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of het bijwonen van godsdienstige bijeenkomsten buiten beschouwing wordt gelaten bij de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsniveaus.

Artikel 10 van de Wet openbare manifestaties (WOM) staat klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, toe. In dit artikel is ook opgenomen dat de gemeenteraad bevoegd is daarover regels te stellen met betrekking tot de duur en het geluidsniveau. Dat betekent dat regels hierover in de APV kunnen zijn opgenomen. In eerdere jurisprudentie, over het luiden van de klok van de Margarita Maria Alacoquekerk in Tilburg, bepaalde de Afdeling dan ook dat de gemeente – op straffe van een dwangsom – mocht verbieden de kerkklok gedurende een deel van het etmaal boven een bepaald geluidsniveau te luiden. De beperkingen die de gemeente Tilburg in haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV) aan het geluidsniveau van de kerkklok stelde, waren niet in strijd met (grond)wettelijke regels.

De in artikel 10 van de WOM omschreven bevoegdheid van de gemeente om het klokgelui te reguleren, moet echter niet worden opgevat als een beperking van het recht tot het vrij belijden van godsdienst, zo bepaalde de Afdeling in 2011. De vrijheid van godsdienst impliceert dan ook niet de vrijheid van kerkklokgelui van elke duur en volume.

Hoewel het Activiteitenbesluit zoals gezegd niet rechtstreeks van toepassing is ten aanzien van het toegestane geluidsniveau van een kerkklok, mag de raad naar het oordeel van de Afdeling bij het bepalen van het maximaal toelaatbare niveau wel aansluiting zoeken bij de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidswaarden, omdat hieruit blijkt wanneer in objectieve zin gesproken kan worden van geluidsoverlast.

De wetgever heeft in artikel 10 van de WOM weliswaar aan de gemeenteraad de bevoegdheid gegeven om klokgelui te reguleren, maar voor die bevoegdheid geldt dat de gemeenteraad klokgelui niet dusdanig mag inperken dat (de mogelijkheid tot) het klokkenluiden illusoir zou worden , zo blijkt uit de uitspraak van 30 januari jl. Dan levert het namelijk wel strijd op met artikel 6 van de Grondwet. De rechtbank stelt de kerkgemeenschap in deze zaak dan ook in het gelijk. Het voorschrift dat het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, waarbij de geluidsniveaus van de uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ als leidraad worden gehanteerd, is een te vergaande beperking. Deze regulering gaat bovendien verder dan de regulering in het Activiteitenbesluit. Kennelijk vormen de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit een bovengrens.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de bevoegdheid om voor de duur en het geluidsniveau van klokgelui regels te stellen, op grond van artikel 10 van de WOM – de aangewezen weg om klokgelui plaatselijk te reguleren – enkel toe komt aan de gemeenteraad.

Nu het college aangeeft dat zonder het opleggen van het voorschrift de omgevingsvergunning niet verleend zou zijn en omwonenden mogelijk zienswijzen achterwege hebben gelaten vanwege de aanwezigheid van dit voorschrift, vernietigt de rechtbank de omgevingsvergunning in zijn geheel. Zo kan het college een nieuw besluit nemen.

Relevantie voor de praktijk

Kortom, de bevoegdheid tot regulering van kerkklokgelui zoals gecreëerd door de WOM is op zichzelf geen beperking van het grondrecht tot het vrij belijden van godsdienst. Het luiden van kerkklokken mag gereguleerd worden. Bij deze uiting tot het belijden van godsdienst blijven geluidsnormen uit het het Activiteitenbesluit buiten beschouwing. Als de regulering van kerkklokgelui echter verder gaat dan de maximale geluidswaarden zoals die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit, bijvoorbeeld door in een voorschrift bij de vergunning aan te sluiten bij strengere geluidsnormen voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, is dit niet toegestaan en is wel sprake van een ongeoorloofde beperking van het grondrecht.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

ECLI:NL:RBZWB:2020:415.

Share This