Op 16 maart jl. heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2018:905). De uitspraak gaat in op de absolute competentie van rechters met betrekking tot het beslissen op beroep tegen onsplitsbare handhavingsbesluiten die gebaseerd zijn op zowel de Woningwet als de Wet milieubeheer.

Wat speelde er in deze zaak?

Milieu Service Zuid B.V. (MSZ) exploiteerde tot medio 2015 een inrichting voor het ontvangen, bewerken en overslaan van diverse afvalstromen. Tijdens een controle in maart 2015 constateerden  gemeentelijke toezichthouders symptomen van broei op het terrein van MSZ. Omdat het gevaar voor broei in de daarop volgende periode niet afnam, is het college van burgemeester en wethouders (college) tot twee keer toe bij wijze van zeer spoedeisende bestuursdwang gestart met het afvoeren van afval. Deze besluiten zijn later op schrift gesteld. Het college baseerde deze besluiten op overtredingen van artikel 1.1a Woningwet en artikel 10.1 lid 1 Wm.

MSZ stelde tevergeefs bezwaar en beroep (bij de rechtbank) in tegen deze besluiten. In hoger beroep betoogt MSZ dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren om kennis te nemen van het beroep en het beroepschrift had moeten doorsturen aan de Afdeling.

De belangrijkste overwegingen van de Afdeling

De Afdeling oordeelt dat zij in deze zaak in eerste en enige aanleg bevoegd is. Dat de rechtbank bevoegd is om in eerste aanleg kennis te nemen van beroepen tegen besluiten die betrekken hebben op de Woningwet, doet daaraan niet af. In dat kader overweegt de Afdeling dat zij bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen besluiten die betrekking op de handhaving van de Wm (artikel 8:6 lid 1 jo. artikel 2 van bijlage 2 van de Awb).

De Afdeling overweegt dat de besluiten niet splitsbaar zijn in een deel dat gebaseerd is op de overtreding van de Woningwet en een deel dat gebaseerd is op de overtreding van de Wm,  Het beroep is daarom evenmin splitsbaar. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank dus onterecht geoordeeld dat zij bevoegd was te beslissen op het beroep.

Een ander geluid: de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2017

Interessant in dit kader is een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:6606), waarin de rechtbank in een soortgelijke zaak uitdrukkelijk afwijkt van de heersende Afdelingsjurisprudentie zoals die hierboven is weergegeven. De rechtbank acht zich bevoegd te beslissen op een beroep op een handhavingsbesluit, omdat de interpretatie van de Afdeling ertoe zou leiden dat bestuursorganen vrij kunnen kiezen of zij burgers ‘slechts één beroep gunnen of twee beroepsinstanties’. Dit omdat bestuursorganen zelf bepalen op welke wetsartikelen zij handhaven. Bovendien acht de rechtbank het niet efficiënt om het gedeelte van de zaak waarop de Afdeling in eerste en enige aanleg zou moeten oordelen, af te splitsen en naar de Afdeling te sturen.

Waarom zijn deze uitspraken van belang?

De uitspraak van de Afdeling is van belang omdat de Afdeling de bestendige rechtspraak omtrent de absolute competentie bij beroepen op handhavingsbesluiten bevestigt. De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is in dit kader interessant omdat het juist expliciet afwijkt van de heersende lijn van de Afdeling. Het lijkt erop dat de Afdeling korte metten maakt met de uitspraak van de rechtbank.

 

Bronnen: AbRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905, Rechtbank Oost-Brabant 20 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6606.

Share This