mgdamfyDe rechtbank Overijssel heeft op 12 oktober 2016 een opvallende uitspraak gedaan. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat zij, ongeacht de overeenstemming die inmiddels bestond tussen partijen over een uitgangspunt voor de berekening van de schadeloosstelling, zelfstandig de schadeloosstelling voor de pachter moet bepalen.

Wat was er aan de hand?

De Provincie Overijssel onteigende een stuk grond voor de aanleg van een dijklichaam. De aanleg van de dijk zou samen met een ontwikkeling voor natuur aan de westelijke zijde van de dijk een groter geheel gaan vormen. Beide ontwikkelingen waren voorzien op gronden die bij dezelfde pachter in gebruik waren. Vanwege de urgentie van de aanleg van dijk, heeft de provincie ervoor gekozen eerst deze ontwikkeling te realiseren. Voor de realisatie van de natuur is een pachtontbindingsprocedure gestart.

Het onteigende werd gebruikt door een pachter voor het weiden van zijn melkvee. Door de onteigening werd het westelijke deel van het overblijvende niet bereikbaar, zodat ter discussie kwam te staan of een redelijk handelend meldveehouder in de gegeven omstandigheden zijn bedrijf op het onteigende zou kunnen voortzetten. Het werk voorzag niet in een voorziening waarmee de pachter het dijklichaam met zijn vee zou kunnen passeren om het westelijke overblijvende te bereiken. De provincie had daarom vervangende grond aan de pachter aangeboden. Beide partijen hebben echter vervolgens geopteerd voor de fictie dat een dijkdoorgang zal worden gerealiseerd, zodat sprake zal zijn van voortgezet gebruik. Ter pleidooi is door de provincie toegelicht dat in overleg met de pachter een doorgang is gemaakt en voorhanden is. Daardoor kwam de vraag naar voren hoe de rechtbank het (bijkomende) aanbod voor vervangende grond moest beoordelen.

Hoe oordeelt de rechtbank?

De rechtbank stelt voorop dat het aan haar is zelfstandig te bepalen welke schadeloosstelling de pachter als belanghebbende toekomt. Daarbij is zij niet gebonden aan de standpunten van partijen of aan het deskundigenadvies. De bij pleidooi gebleken omstandigheid dat partijen het uiteindelijk eens zijn geworden over een voor de schadeberekening te hanteren uitgangspunt maakt dat niet anders. De keuze van de pachter voor de doorgang is, zo begrijpt de rechtbank, gerelateerd aan de ontbinding van de pacht ten behoeve van de realisatie van de natuur op het westelijke overblijvende. Vanwege het eindigen van de pacht op 1 november 2016 heeft de provincie voor voortgezet gebruik van het westelijke overblijvende om niet gekozen. De pachtontbinding en de realisering van een doorgang zijn echter feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de peildatum. De rechtbank is van oordeel dat zij de wens van partijen om rekening te houden met deze nadere ontwikkelingen na peildatum derhalve niet kan honoreren en dus van de toestand op peildatum zal moeten uitgaan. Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat een redelijk handelend melkveehouder zou opteren voor vervangende grond, zowel voor het onteigende als het niet langer bereikbare overblijvende, en stelt zij een vergoeding vast voor de aanpassingen die op de vervangende grond zullen moeten worden gedaan.

Betekenis voor de praktijk

Deze uitspraak laat zien dat afspraken tussen partijen die zijn gerelateerd aan feiten of omstandigheden van na de peildatum, niet kunnen worden meegenomen bij de vaststelling van de schadeloosstelling door de rechtbank. De rechter dient uit te gaan van de toestand op de peildatum.

 

Bron: Rechtbank Overijssel 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3966

Share This