Privaatrechtelijke belemmeringen kunnen in de weg staan aan de vaststelling en uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze belemmeringen moeten dan wel van een evident karakter zijn. In een uitspraak van 20 juni jl. maakt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijk hoe moet worden vastgesteld of sprake is van een evidente belemmering bij een bestemmingsplan.

Waar ging het om?

Deze zaak speelde zich af in de gemeente Waddinxveen. Door de gemeenteraad was een bestemmingsplan vastgesteld dat voorzag in de bouw van 24 zogenoemde woonzorgeenheden. Een eigenaar van de naastgelegen gronden voerde in beroep aan dat het bestemmingsplan niet kon worden vastgesteld, omdat privaatrechtelijke belemmeringen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stonden. Het betrof een strook grond waarop een ontsluitingsweg en parkeerplaatsen waren beoogd en waaraan in het nieuwe plan de bestemming “Verkeer” was toegekend. Deze bestemming was volgens appellant niet uitvoerbaar, omdat 1) hij het eigendom van de grond had verkregen door verjaring, en 2) vanwege een erfdienstbaarheid op de grond in kwestie.

De raad stelde daarentegen dat van verkrijging van eigendom door verjaring geen sprake is. Volgens de raad is door middel van de erfdienstbaarheid van weg juist duidelijk vastgelegd dat de grond in eigendom is bij de gemeente en dat appellant gebruik mag maken van de grond om op en van zijn perceel te komen. Volgens de raad bracht de nieuwe inrichting dus ook de erfdienstbaarheid niet in het geding.

Oordeel Afdeling

De Afdeling stelt voorop dat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding bestaat indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit (zie bijvoorbeeld: AbRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1099). Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een ontwikkeling voorzien is op grond die in eigendom aan een ander toebehoort en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten (zie bijvoorbeeld: AbRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0377).

Ten aanzien van de gestelde verkrijging van eigendom overweegt de Afdeling dat de vraag of appellant eigenaar is geworden van de strook grond een privaatrechtelijke kwestie is die bij de burgerlijke rechter aan de orde moet worden gesteld als daarover verschil van mening bestaat. Nu het eigendomsrecht niet in rechte vast staat en partijen van mening verschillen over dit eigendom, kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat het beoogde plan is voorzien op gronden van appellant. Er is dan ook geen sprake van evidente privaatrechtelijke belemmering.

Verder overweegt de Afdeling dat de bestemming “Verkeer” de op de grond rustende erfdienstbaarheid niet aantast. Door aan de gronden de bestemming “Verkeer” toe te kennen kan appellant immers nog altijd gebruik maken van de strook om van en naar zijn perceel te komen. Kortom, geen (evidente) privaatrechtelijke belemmering.

Duidelijk, maar evident?

Privaatrechtelijke belemmeringen moeten dus evident zijn om aan de vaststelling en uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg te staan. Bij bestemmingsplannen is zo’n belemmering pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een ontwikkeling voorzien is op grond die in eigendom aan een ander toebehoort en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten. Een hoge drempel, zoals blijkt uit deze uitspraak.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling.

Share This