fire-1399140-640x480Het langs privaatrechtelijke weg verhalen van kosten van asbestsanering blijkt nog steeds weinig succesvol. Bij vonnis van 9 maart 2016 heeft de Rechtbank Noord-Nederland de vordering van de gemeente Littenseradiel tot het vergoeden van de kosten van asbestsanering op grond van art. 6:174 BW, art. 6:162 en art. 5:37 BW afgewezen.

Achtergrond

Als gevolg van kortsluiting in de accu van een boormachine heeft op 11 oktober 2012 een brand gewoed in een loods die was voorzien van een golfplaten dakbedekking waarin hechtgebonden asbest was verwerkt. Kort nadat duidelijk was dat er als gevolg van de brand asbestvezels waren vrijgekomen, heeft de gemeente opdracht gegeven om de asbestvezels te verwijderen. De gemeente tracht de schade die zij hierdoor heeft geleden – bestaande uit de kosten van verwijdering van de asbestvezels – via de privaatrechtelijke weg op de eigenaren van de loods te verhalen.

Bestuursrechtelijke weg of onaanvaardbare doorkruising?

De eigenaren van de loods stellen zich op het standpunt dat de gemeente de schade alleen via een (spoed)bestuursdwangbesluit met aanzegging kostenverhaal had kunnen verhalen en dat de privaatrechtelijke weg het publiekrecht op onaanvaardbare wijze doorkruist.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente ervoor had kunnen kiezen om (spoed)bestuursdwang aan te zeggen wegens schending van de in artikel 1.1a Wm neergelegde zorgplicht, maar dat artikel 1.1a lid 3 Wm er in beginsel niet aan in de weg staat om op basis van het burgerlijk recht  de schade te verhalen. Voor wat betreft het beroep van de eigenaren op de onaanvaardbare doorkruising, oordeelt de rechtbank dat de door de gemeente gevorderde kosten betrekking hebben op het opruimen van de asbest en niet op de kosten van brandbestrijding en de in dat verband genomen maatregelen.  Privaatrechtelijk kostenverhaal is derhalve in beginsel mogelijk. Zoals uit het navolgende volgt, is daarmee echter nog niet gezegd dat hiermee ook privaatrechtelijk kostenverhaal verzekerd is.

Gebrekkige opstal?

De gemeente stelt dat een  opstal waarin asbest is verwerkt heden ten dage niet (meer) aan de eisen voldoet die men in de gegeven omstandigheden aan een dergelijke opstal mag stellen en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. Nu dit gevaar zich heeft verwezenlijkt zijn de eigenaren volgens de gemeente aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden, bestaande uit de kosten voor de asbestsanering.

De rechtbank overweegt dat de opstal voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen nu het thans nog steeds geoorloofd is om een opstal te bezitten die gedekt is met golfplaten waarin hechtgebonden asbest is verwerkt en de kans op vrijkomen van asbesthoudend materiaal zeer gering was. De rechtbank ziet in het feit dat ten tijde van de onderhavige brand inmiddels achttien á negentien jaren verstreken waren nadat het verbod op het toepassen van asbest in het jaar 1993 is gaan gelden, geen aanleiding om tot een afwijkend oordeel van het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2149, te komen.

Onrechtmatige daad?

De Gemeente stelt zich op het standpunt dat doordat asbestvezels op de percelen van derden terecht zijn gekomen, waaronder op de percelen van de gemeente, de eigenaren een inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van deze perceelseigenaren. Voor wat betreft de percelen van omwonenden is de gemeente opgetreden als zaakwaarnemer.

De rechtbank overweegt dat de gemeente de vordering weliswaar expliciet instelt in haar hoedanigheid van eigenaar van niet openbare percelen en als zaakwaarnemer van omwonenden, maar dat de gemeente in wezen de onderhavige kosten heeft gemaakt omdat zij de sanering van alle vervuilde percelen tot haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid/taak heeft gerekend. Wederom onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2001, oordeelt de rechtbank dat van een onrechtmatige daad jegens de gemeente in dit geval geen sprake. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de gemeente dusdanig voortvarend heeft gehandeld ter zake van de verwijdering van de asbest, dat niet kan worden gesproken van een (onrechtmatig) nalaten aan de zijde van de eigenaren van de loods om de asbestvezels te verwijderen.

Onrechtmatige hinder?

Voor de vraag of hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van de eigenaren van de loods, is de rechtbank van oordeel dat evenmin sprake is van het toebrengen van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland 9 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:998.

Share This