parkeren2Op 9 september 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak zich uitgelaten over hoe in een bestemmingsplan kan worden gewaarborgd dat sprake is van “voldoende parkeergelegenheid”. De Afdeling acht het begrip niet langer rechtsonzeker als in het bestemmingsplan wordt aangesloten bij artikel 3.1.2, tweede lid, sub a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bestemmingsplan hoeft dan niet zelf de parkeernormen te vermelden maar kan verwijzen naar gemeentelijk beleid.

Met de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) is artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet komen te vervallen per 29 november 2014. Deze bepaling maakte het mogelijk dat stedenbouwkundige voorschriften zoals parkeernormen in een gemeentelijke bouwverordening werden opgenomen, waarmee vervolgens rekening moest worden gehouden bij een bestemmingsplan. Tegelijkertijd is artikel 3.1.2, tweede lid, sub a, van het Bro in werking getreden, dat bepaalt dat het ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening mogelijk is een planregel op te nemen in het bestemmingsplan, waarbij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.

Door het vervallen van artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet kan voor bestemmingsplannen die na 29 november 2014 zijn vastgesteld dus geen rekening meer worden gehouden met een gemeentelijke bouwverordening. Dit leidt ertoe dat wanneer het bestemmingsplan zelf geen parkeernormen bevat en het overgangsrecht niet van toepassing is, het niet mogelijk is dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan door de raad vastgestelde parkeernormen. Dit was bijvoorbeeld het geval in de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015. In die gevallen blijft het, ondanks het ontbreken van parkeernormen in het bestemmingsplan, evenwel mogelijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de verlening van een omgevingsvergunning te toetsen of voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Nijmeijer dat deze mogelijkheid vervolgens niet zo moet worden geïnterpreteerd dat aan een omgevingsvergunning vervolgens ook voorschriften kunnen worden verbonden die inhouden dat een x-aantal parkeerplaatsen op eigen terrein moet worden aangelegd (en in stand moet worden gehouden), zonder dat het bestemmingsplan enige parkeernorm bevat.

Als toch parkeernormen in het bestemmingsplan zelf worden opgenomen is de vraag hoe dit het beste geregeld kan worden. De constructie waarbij in een planregel is vervat dat “voldoende parkeergelegenheid” beschikbaar moet zijn achtte de Afdeling in het verleden nog in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de invulling van dat begrip voor onduidelijkheid zorgde. De Afdeling acht het begrip “voldoende parkeergelegenheid” met de uitspraak van 9 september 2015 echter aanvaardbaar als, in overeenstemming met artikel 3.1.2, tweede lid, sub a, van het Bro, in de planregel een verwijzing is opgenomen naar beleid waarin parkeernormen zijn vastgelegd. In de planregel moet dan worden aangeduid dat bij de uitoefening van een specifieke bevoegdheid (bijvoorbeeld het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen), de regel geldt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en eventueel fietsen wordt gerealiseerd; en dat “voldoende” betekent dat wordt voldaan aan de normen van specifieke beleidsregels, zoals een “Nota Parkeernormen Fiets en Auto”. Bovendien doet de Afdeling de vingerwijzing dat in de planregel moet worden vermeld dat indien de beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, rekening wordt gehouden met die wijziging.

Bronnen: AbRvS 9 september 2015, nr. 201410585/1/R6; AbRvS 19 augustus 2015, nr. 201502255/1/R1; AbRvS 8 april 2015, nr. 201309196/1/R3; AB 2015/350; Stb. 2014, 458.

Share This