Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een windpark zonder de benodigde verklaring van geen bedenkingen? Dat is in strijd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht. Toch wordt het ontbreken van zo’n verklaring windpark Oostpolder niet fataal. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) doet op 4 juli 2018 kortom een interessante uitspraak.

Wat was er aan de hand?

Gedeputeerde staten van Groningen hebben aan Waddenwind B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van 21 windturbines in de Oostpolder. De omgevingsvergunning is onder meer afgegeven op grond van artikel 2.1 lid 1, onder c, en artikel 2.12 lid 1, onder a en sub 3, Wabo (de zogenoemde omgevingsvergunning “strijdig gebruik”).

Eén van de appellanten voert aan dat provinciale staten ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) hebben afgegeven.

Hoe zit dit?

Van belang hierbij zijn de artikelen 9d en 9f Elektriciteitswet 1998 (Ew 1998). Daaruit volgt dat gedeputeerde staten de besluiten nemen die staan opgesomd in het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten (het Uitvoeringsbesluit). De omgevingsvergunning strijdig gebruik is daar één van. Voor een omgevingsvergunning strijdig gebruik die wordt afgegeven op grond van artikel 2.12 lid 1, onder a en sub 3, Wabo is een vvgb nodig (artikel 2.27 lid 1 Wabo en artikel 6.5 Bor). Voor een aantal gevallen waarin gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn, moeten provinciale staten de vvgb afgeven (artikel 6.5 lid 4 Bor). De Afdeling wijst erop dat het hier specifiek gaat om een situatie die is geregeld in artikel 3.1, aanhef en onder b, van het Bor, waarin gedeputeerde staten ten behoeve van de verwezenlijking van een project van provinciaal belang een omgevingsvergunning strijdig gebruik verlenen.

Gedeputeerde staten wijzen echter op de volgende zinsnede uit het Uitvoeringsbesluit: “met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen”. Daaruit zou volgens gedeputeerde staten niet alleen volgen dat zij bevoegd zijn de omgevingsvergunning te verlenen, maar dat deze bevoegdheid tevens de vvgb omvat. Het vragen van een vvgb aan provinciale staten was daarom niet vereist. De Afdeling gaat hier niet in mee. De zinsnede is volgens de Afdeling alleen bedoeld om kenbaar te maken dat de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 en artikel 2.2 Wabo ook het vragen van een eventueel benodigde vvgb omvat.

Gedeputeerde staten hebben voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor windpark Oostpolder ten onrechte geen vvgb gevraagd aan provinciale staten. De omgevingsvergunning wordt daarom vernietigd.

Afdeling biedt praktische oplossing

De Afdeling ziet aanleiding de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning in stand te laten. Waarom? Omdat provinciale staten hebben besloten af te zien van het opstellen van een provinciaal inpassingsplan en gedeputeerde staten opdracht hebben gegeven toepassing te geven aan de bevoegdheid een omgevingsvergunning strijdig gebruik te verlenen. Nadien zijn provinciale staten verschillende keren per brief geïnformeerd over het vergunningverleningstraject voor windpark Oostpolder.

Onder deze omstandigheden is er geen twijfel over mogelijk dat provinciale staten akkoord zijn met de verlening van de omgevingsvergunning voor windpark Oostpolder. Het is daarmee niet aannemelijk dat de vvgb niet zou worden afgegeven door provinciale staten, als de vvgb wel zou zijn aangevraagd.

Conclusie

Provinciale staten zijn aan zet voor het afgeven van een vvgb voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een windpark van ten minste 5 MW maar niet meer dan 100 MW. Het nalaten daarvan wordt Windpark Oostpolder gelukkig niet fataal!

Zie hier de uitspraak van de Afdeling.

you're currently offline

Share This