Het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling bepaalt of de Ladder voor duurzame ontwikkeling wel of niet op een project van toepassing is. En het scheelt nogal als niet aan de Ladder hoeft te worden getoetst. Het is daarom van belang om na te gaan of een besluit al dan niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Op 1 maart jl. heeft de Afdeling dit begrip weer een stukje verder verduidelijkt.

Wat was er aan de hand?
Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Zuidoost van de gemeente Amsterdam (hierna: verweerder) heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuw hoofdkantoor van ING inclusief een bijbehorende parkeervoorziening en horeca (1.000 m2 bvo). Tegen dat besluit wordt beroep ingesteld door de eigenaresse en de ondernemersvereniging van een naastgelegen winkelcentrum. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte meent dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Van belang is dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo is verleend. Voor de ontwikkeling moet dus worden afgeweken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Er is namelijk gedeeltelijk een functiewijziging nodig (van onder meer “Tuin” en “Groen”) en er is sprake van een afwijkend ruimtebeslag ten opzichte van het bestemmingsplan.

Wel of geen nieuwe stedelijke ontwikkeling?
De Afdeling biedt allereerst duidelijkheid over de positie van de horeca die mogelijk wordt gemaakt: die kan niet los worden gezien van de voorziene kantoorruimte en parkeervoorziening. Deze ontwikkelingen moeten met het oog op artikel 3.1.6 van het Bro als één project aangemerkt worden, aldus de Afdeling. Dit is een overweging die zeer handig is voor de praktijk. Vaak bestaan projecten uit meerdere losse ontwikkelingen en op basis van deze uitspraak kunnen die losse ontwikkelingen dus als één ontwikkeling worden getoetst aan de Ladder. Deze overweging ligt in lijn met eerdere uitspraken van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling over horeca op een recreatiepark).

Dan komt de Afdeling toe aan de hamvraag: is nu wel of niet sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De Afdeling meent van niet en overweegt als volgt. De Afdeling overweegt eerst dat met de omgevingsvergunning bebouwing wordt toegestaan op locaties waar op basis van het geldende bestemmingsplan niet gebouwd mag worden. De Afdeling acht echter van belang dat met de omgevingsvergunning een concentratie van bebouwing wordt toegestaan, terwijl in de op basis van het bestemmingsplan toegestane situatie de bebouwing meer verspreid is. De omvang van het bebouwde oppervlak neemt niet toe. Bovendien zijn de functies kantoor, parkeren en horeca al toegestaan op basis van het bestemmingsplan.

Op basis van wat het bestemmingsplan toestaat op de percelen waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, meent de Afdeling dat de voorziene ontwikkeling terecht niet is aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Tot slot
Deze uitspraak is een zeer nuttige voor de praktijk. Als ten opzichte van een bestemmingsplan net iets anders wordt mogelijk gemaakt met een nieuw besluit, maar per saldo er eigenlijk niet meer of iets nieuws wordt mogelijk gemaakt, dan is dus geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die aan de Ladder moet worden getoetst. Met deze uitspraak verduidelijkt de Afdeling het begrip ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’!

Bron:
AbRvS 1 maart 2017, 201606823/1/A1

Share This