mifgkPqHet aantal overzomerende ganzen in Nederland is de afgelopen paar jaar fors gestegen. Deze ganzen veroorzaken vaak overlast en schade in landbouwgebieden. Provincies verlenen daarom ontheffingen van de verboden op grond van de Flora- en faunawet om de ganzen te bestrijden en de ganzenpopulatie planmatig te verkleinen. Ontheffingen worden onder andere verleend voor het vangen en doden van ganzen en het verstoren van nesten en broedsels.

Dit heeft een reeks interessante uitspraken opgeleverd over de toepassing van de Flora- en faunawet, van zowel rechtbanken als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.[1] De overzomerende ganzen strijken ook neer in Natura 2000-gebieden en gebruiken deze gebieden niet alleen als broed- en rustplaats, maar ook als foerageergebied. Hierdoor kan schade ontstaan aan de natuurwaarden van het gebied. Provincies kijken in toenemende mate naar mogelijkheden om ganzen ook binnen Natura 2000-gebieden te bestrijden.

Uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015

In de uitspraak van 2 december 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderstreept de Afdeling dat in een dergelijk geval niet alleen rekening dient te worden gehouden met het wettelijk kader van de Flora- en faunawet, maar ook met de verplichtingen voortvloeiend uit de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998).

In deze zaak is door de Vogelbescherming verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van een Ffw-ontheffing voor het afschot van ganzen in Natura 2000-gebieden in Overijssel, zonder dat een Nbw-vergunning was verleend. Volgens de Afdeling blijkt uit de voortoets dat ten aanzien van vijf Natura 2000-gebieden, te weten Weerribben, De Wieden, Rijntakken, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Zwarte Meer, voor verschillende kwalificerende soorten, waaronder in ieder geval de soorten roerdomp en porseleinhoen, significant verstorende effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Daarbij kan gedacht worden aan verstoring door het geluid geproduceerd door afschot en aan optische en auditieve verstoring door betreding van broed-, rust- en fourageergebieden. Ook uit de uitgevoerde nadere effectbeoordeling volgt dat significant negatieve effecten voor een aantal soorten niet kunnen worden uitgesloten. Voor de bestrijdingsactiviteiten had dan ook een vergunning ex artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 moeten worden verleend.

Dat aan de faunabeheereenheden is opgedragen om nadere voorwaarden aan de Ffw-ontheffing te verbinden, die er kort gezegd op neerkomen dat geen schadebestrijding in de broedperiode mag plaatsvinden en in andere perioden voorafgaand aan de schadebestrijding moet worden gecontroleerd of er binnen een straal van enkele honderden meters verstoringsgevoelige soorten bevinden, maakt dat niet anders. Volgens de Afdeling kan de activiteit op zichzelf verslechterende of significant verstorende effecten hebben. Juist de activiteit als zodanig moet worden bezien bij de vraag of deze vergunningplichtig is krachten de Nbw 1998.

Gevolgen voor bestrijding van ganzen in Natura 2000-gebieden

Voordat een Ffw-ontheffing kan worden gebruikt in een Natura 2000-gebied dient dus steeds te worden nagegaan of de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied door die activiteit kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Als die effecten niet kunnen worden uitgesloten is naast een Ffw-ontheffing ook een vergunning op grond van de Nbw 1998 vereist.

Bron uitspraak: ABRvS 2 december 2015, nr. 201503834/1/R2

[1] Zie bijvoorbeeld: Vz ABRvS, 25-02-2015, nr. 201501113/1/R2 ; ABRvS 19-06-2013, nr. 201202531/1/A3 ; Rb. Gelderland 25-06-2015, nr. AWB 14_7964 ; Vz. Rb. Den Haag 11-06-2015, nr. AWB – 15 _ 3196.

Share This