mfXlBhsOpnieuw heeft de Afdeling zich uitgelaten over de vraag wanneer een ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijke ontwikkeling’ waarop de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Hoewel de Afdeling vorig jaar nog oordeelde dat de ontwikkeling van 14 woningen wel degelijk een ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van artikel 3.1.6, lid 2, van het Bro vormde, oordeelt de Afdeling op 22 juli jl. dat  dit zelfde aantal woningen niet een stedelijke ontwikkeling vormt. Dit, omdat de woningen niet zouden zijn aan te merken als één stedelijke ontwikkeling.

Wat was er aan de hand?
Met het door de raad van de gemeente Hilvarenbeek vastgestelde bestemmingsplan “Landgoed de Utrecht” wordt onder meer voorzien in woningen op vier verspreid liggende locaties. De locaties liggen variëren van 600 meter tot 1,5 km uit elkaar. Het gaat om onderscheidenlijk één, vijf, zes en twee woningen en daarmee in totaal 14 nieuwe woningen. Appellante betoogt dat met het plan wordt voorzien in een stedelijke ontwikkeling in de vorm van een woningbouwlocatie. Daartoe wordt aangevoerd dat het plan voorziet in een samenhangend complex van woningen die in drie wijzen zijn geclusterd en dat de woningen tezamen als kostendragend project voor Landgoed de Utrecht mogelijk worden gemaakt. Daarmee zou ten onrechte niet zijn getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De Afdeling overweegt allereerst dat het begrip woningbouwlocatie niet nader is gedefinieerd in het Bro en dat evenmin een definitiebepaling is opgenomen in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De Afdeling overweegt vervolgens dat gelet op de onderlinge afstand tussen  de verschillende locaties waar de woningen zijn voorzien, de woningen niet kunnen worden aangemerkt als één woningbouwlocatie in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De omstandigheid dat de nieuwe woningen gezamenlijk zijn voorzien als economische dragers voor het duurzaam exploiteren en in stand houden van het Landgoed De Utrecht doet daar niet aan af. Vanwege de kleinschalige woningbouw die het bestemmingsplan op vier verschillende locaties mogelijk maakt, kunnen de afzonderlijke locaties niet elk op zichzelf als een woningbouwlocatie worden aangemerkt, aldus de Afdeling. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Één stedelijke ontwikkeling?
Of meerdere, gelijksoortige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling, is dus afhankelijk van de vraag of de ontwikkelingen als één stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Daarbij is onder meer relevant of de ontwikkelingen op één of meerdere, van elkaar verspreide locaties, worden gerealiseerd. En dat heeft weer gevolgen voor de vraag of een ontwikkeling als een kleinschalige ontwikkeling is aan te merken, waarop de Ladder niet van toepassing is.

Van deze uitzondering moet de zogenaamde ‘salami-tactiek’ onderscheiden worden. Het bestemmingsplan dat voorzag in de bouw van 10 woningen (waarvan twee met een wijzigingsbevoegdheid) moest vanwege de in totaal 72 voorziene woningen van dit project namelijk wel worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een verspreide ontwikkeling in ‘tijd’ kan – in tegenstelling tot een verspreide ontwikkeling in ‘ruimte’ – dus niet meebrengen dat er sprake zou zijn van meerdere ontwikkelingen die afzonderlijk op hun omvang moeten worden beoordeeld voor de vraag of al dan niet sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’.

De uitspraak levert weer iets meer duidelijkheid over het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ en daarmee het toepassingsbereik van de Ladder.

Bron: AbRvS 22 juli 2015, nr. 201405299/1/R3, AbRvS 9 april 2014, nr.201307658/1/R4 en AbRvS 4 maart 2015, nr. 201406421/1/R4.

Share This