Op grond van het Europees recht (Verordening 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA)) is het verboden om (verontreinigde) afvalstoffen zonder toestemming van het bevoegd gezag over te brengen van het ene land naar het ander. De ratio hierachter is om internationale transporten van afvalstoffen te kunnen volgen en reguleren, om zo ongewenste gevolgen of risico’s voor het milieu te voorkomen. In een interessante uitspraak van 30 november jl. buigt de rechtbank Rotterdam zich over de vraag of ook een zeewaardig geoordeeld zeeschip gezien kan worden als afvalstof, en wanneer precies sprake is van ‘overbrenging’ van afvalstoffen.

Wat speelde er?

In deze zaak wordt de eigenaar van een oud maar nog functionerend schip ervan verdacht dat hij dit schip in strijd met art. 2 onder 35 van de EVOA, zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten, als afvalstof heeft getracht over te brengen naar Turkije. Overtreding van deze bepaling is strafbaar op grond van art. 10.60 lid 2 Wet milieubeheer en art. 1a onder 1 en art. 2 van de Wet op de economische delicten.

Wat vormde hiervoor de aanleiding? Kort gezegd koopt de verdachte in januari 2013 namens een rechtspersoon in Duitsland een oud schip, nadat het schip in de periode daarvoor meermaals van eigenaar is gewisseld. Het schip – dat geen functionerende motoren heeft en waarin veel gevaarlijke stoffen verwerkt zijn – wordt nog dezelfde maand naar Emden in Duitsland gesleept. In december 2012 heeft de verdachte met een Griekse onderneming afgesproken dat zij het schip vanuit Emden met een zeesleper naar Turkije overbrengt, hetgeen ook is gebeurd. Van het slepen van het schip richting Turkije heeft de eigenaar nooit melding bij de bevoegde autoriteiten gemaakt. Bij overbrengen van het schip raakt het schip in de problemen en zinkt. Dat gebeurt voor de kust van het Verenigd Koninkrijk.

Hoe oordeelt de strafrechter?

Om te bepalen wie voor deze kwestie als verdachte strafbaar kan worden bevonden, dient de strafrechter allereest vast te stellen of het schip in kwestie valt te kwalificeren als afvalstof in de zin van de EVOA, en vervolgens of sprake is van overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing. Tot slot is de vraag relevant of ook bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd het schip in strijd met de EVOA naar Turkije over te brengen.

Is het schip een afvalstof in de zin van de EVOA?

Art. 3 van Richtlijn 2008/98/EG verstaat onder ‘afvalstof’: “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.” Voor de betekenis van de uitdrukking ‘zich ontdoen van’ wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie o.a. C-241/12 r.o. 37-40). Uit deze jurisprudentie volgt dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de ware intentie van de houder. Daarbij in aanmerking genomen alle omstandigheden van het geval.

Ook de doelstelling (de zogenaamde considerans) van de Richtlijn 2008/98/EG is volgens het Hof van belang. In overweging 35 van deze considerans staat dat de verwijdering van afvalstoffen dient te gebeuren zonder gevaar voor de menselijke gezondheid, en dat de ingezette methoden geen nadelige gevolgen voor het milieu mogen hebben. Om deze reden mag het begrip ‘zich ontdoen van’ volgens het Hof dan ook niet te beperkt worden uitgelegd.

In deze zaak betoogt de verdediging dat de reden van de aankoop van het schip niet was gelegen in het zich ontdoen van het schip, waarmee het direct als afvalstof zou kunnen worden gekwalificeerd, maar om het schip als accommodatieschip te gaan gebruiken. Hier gaat de rechtbank echter niet in mee. Zo ontbreken er concrete gegevens of offertes op basis waarvan de rechtbank kan concluderen dat het schip als accommodatie, bijvoorbeeld als hotelschip, gebruikt zou gaan worden. Verder heeft de rechtspersoon die betrokken was bij de aankoop van het schip als hoofdactiviteit het slopen en recyclen van schepen in Turkije, en zou het al sinds oktober 2012 de bedoeling zijn geweest het schip aldaar te slopen. De rechtbank overweegt om die redenen dan ook dat, overeenkomstig de uitleg van het Hof van het begrip ‘zich ontdoen van’, het schip ten tijde van verplaatsing als afvalstof in de zin van de EVOA moet worden gekwalificeerd. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding het toepassingsbereik van de EVOA in te perken door schepen hiervan uit te zonderen. Schepen worden immers ook expliciet genoemd in een van de bijlagen bij de EVOA, zo overweegt de rechtbank.

Is er sprake van overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing?

Nu het tenlastegelegde ziet op de overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing, is de volgende vraag of het onderhavige geval ook als zodanig aan te merken valt, of dat slechts sprake is van een overbrenging ter verwijdering van een afvalstof. Het gebruikelijke uitgangspunt in kwesties zoals deze is dat het doel van de overbrenging moet worden bepaald aan de hand van de eerste handeling die de afvalstof na de overbrenging moet ondergaan (daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9048). In het concrete geval zoals hier aan de orde was de eerste handeling het verwijderen van asbest en overige gevaarlijke stoffen geweest, alvorens tot de ontmanteling van het staal van het schip kon worden overgegaan. De rechtbank Rotterdam kijkt hier echter naar het Hof van Justitie, dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nuttige toepassing twee aanknopingspunten heeft geformuleerd.

Het eerste aanknopingspunt is in overeenstemming met bovengenoemd punt van de Afdeling: indien een verwerkingsproces van afvalstoffen uit meerdere afzonderlijke fases bestaat dient alleen rekening gehouden te worden met de eerste handeling die de afvalstoffen na hun overbrenging moeten ondergaan (zie C-116/01). In het tweede uitgangspunt (te vinden in C-6/00 en de (gevoegde) zaken C-307/00 tot en met C-311/00) stelt het Hof dat om te bepalen of het gaat om een verwijderingshandeling of om een handeling van nuttige toepassing, van geval tot geval moet worden nagegaan of het belangrijkste doel van de betrokken handeling is dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen. Is dat het geval, dan moet de handeling als een nuttige toepassing worden beschouwd.

De rechtbank knoopt in deze uitspraak aan bij het tweede aanknopingspunt, en overweegt dat het belangrijkste doel van de handeling die aan het schip zou worden verricht het terugwinnen van vele tonnen staal voor hergebruik is. Deze handeling is een handeling van nuttige toepassing, en hieraan kent de rechtbank dan ook doorslaggevende betekenis toe. Weliswaar bevonden zich in het schip ook andere (gevaarlijke) afvalstoffen, maar dat kan volgens de rechtbank niet opwegen tegen de overweldigende hoeveelheid staal die bij de ontmanteling vrijkomt. Ook naar maatschappelijke opvattingen wordt het slopen van schepen niet anders begrepen dan dat dit tot doel heeft om staal te recyclen, aldus de rechtbank.

Is het schip ook ‘overgebracht’ in de zin van de EVOA?

Ja, zo stelt de strafrechter. De definitie van ‘overbrenging’ in de EVOA omvat naast het vervoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing ook het vervoer dat gepland staat. Op grond van de voorliggende stukken acht de rechtbank het overtuigend bewezen dat al in oktober 2012 het plan bestond om het schip naar Turkije te vervoeren om het aldaar te slopen. Daarmee is in deze zaak vast komen te staan dat van overbrenging sprake is.

Nu vaststaat dat het schip een afvalstof was in de zin van de EVOA, er sprake was van de overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing en het schip is ‘overgebracht’ naar Turkije, wordt de verdachte kortom schuldig bevonden aan het overtreden van art. 2 onder 35 EVOA. De veroordeling betekent in dit geval een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar en een taakstraf van 160 uur.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de strafrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2021, ECLI:NL:RBROT:11861.

Share This