De reikwijdte van de kruimelregeling in het Besluit omgevingsrecht is al enige tijd onderwerp van discussie. De discussie spitst zich toe op de in artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor opgenomen uitzonderingsbepaling. Op grond daarvan is de kruimelregeling niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Maar hoe moet deze bepaling precies worden uitgelegd, wat is het exacte toepassingsbereik? De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft hier op 7 december jl. al een voorlopig oordeel over gegeven (zie hier ons eerdere blogbericht). In een uitspraak van 3 mei jl. geeft de Afdeling bestuursrechtspraak voor het eerst definitief duidelijkheid over de reikwijdte van de kruimelregeling.

Wat was er aan de hand?

Het realiseren van een tijdelijke losvoorziening voor het bouwrijp maken van een perceel in de gemeente Weesp was in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders hebben daarom een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘strijdig gebruik’. De grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning wordt gevonden in de kruimelregeling (artikel 2.12, eerste lid, onder 2°, Wabo en artikel 4, onderdeel 11, Bijlage II, Bor).

Tegen de omgevingsvergunning wordt bezwaar en vervolgens (hoger) beroep ingesteld. Onder verwijzing naar artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor wordt aangevoerd dat de kruimelregeling ten onrechte is toegepast. De kruimelregeling is immers niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De realisatie van een tijdelijke losvoorziening betreft een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D 2.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (de aanleg, wijziging of uitbreiding van overladingsstations of faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen).

Burgemeester en wethouders voeren aan dat de omgevingsvergunning voor de tijdelijke losvoorziening terecht is afgegeven op basis van de kruimelregeling. Voor het toepassingsbereik van (de uitzonderingsbepaling) artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor dient niet alleen gekeken te worden naar de activiteit zelf (kolom 1), maar óók naar de omvang van de activiteit (kolom 2). Nu de activiteit qua omvang niet onder de in kolom 2 opgenomen gevallen valt, is de uitzonderingsbepaling volgens het college hier niet van toepassing.

Wat oordeelt de Afdeling?

De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de Rechtbank Midden-Nederland. Voor het bepalen van het toepassingsbereik van (de uitzonderingsbepaling van) artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor is uitsluitend kolom 1 van de onderdelen C of D van het Besluit m.e.r. relevant (Rb. Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2742). Bij de toepassing van de kruimelregeling wordt slechts dán een uitzondering gemaakt indien sprake is van een activiteit die is aangewezen op één van de lijsten van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Of daarbij daadwerkelijk drempelwaarden worden overschreden, is niet relevant. Dat geeft een duidelijk criterium om te bepalen wanneer de kruimelregeling mag worden toegepast.

De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland wordt overigens wel vernietigd. De Rechtbank heeft namelijk ten onrechte geoordeeld dat het in artikel 8:69a Awb opgenomen relativiteitsvereiste aan vernietiging in de weg staat. Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor, in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, is volgens de Afdeling een regel die is gesteld in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Daartoe behoort ook een goed woon-, werk- en ondernemersklimaat. Het is op voorhand niet uitgesloten dat het realiseren van een tijdelijke losvoorziening zal leiden tot een minder goed ondernemersklimaat, door bijvoorbeeld verkeerscongestie als gevolg van de zandtransporten. Artikel 8:69a Awb kan appellanten daarom niet worden tegengeworpen.

De Afdeling oordeelt tot slot dat het college van burgemeester en wethouders de vraag moet beantwoorden of het bereid is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken. In dat geval dient de uitgebreide (uniforme openbare) voorbereidingsprocedure te worden toegepast. Het college is daarmee weer terug bij af.

 

Bron: AbRvS 3 mei 2017, 201604869/1/A1

Share This