De reikwijdte van de kruimelregeling in het Besluit omgevingsrecht is al enige tijd onderwerp van discussie. Hamvraag is of de in artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor opgenomen uitzonderingsbepaling zo moet worden gelezen dat de kruimelregeling niet van toepassing is, indien sprake is van één van de activiteiten zoals genoemd in kolom 1 van onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, dan wel dat daarvoor tevens vereist is dat aan de in kolom 2 opgenomen drempelwaarden wordt voldaan. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 7 december jl. in een voorlopig oordeel de knoop doorgehakt.

Waar gaat de discussie over?
Op 1 november 2014 (Stb. 2014, 333) is het toepassingsbereik van de kruimelregeling aanzienlijk verruimd. Dit komt – met name – doordat de onderdelen 9 en 11 van artikel 4, Bijlage II, Bor zijn gewijzigd. Door deze aanpassing zijn de colleges van burgemeester en wethouders in meer – en in planologisch opzicht ingrijpender – gevallen bevoegd om de kruimelregeling toe te passen.

Onderdeel 9 maakt het mogelijk om de functie van bestaande bouwwerken te wijzigen. De tot 1 november 2014 geldende restrictie dat de wijziging ziet op maximaal 1.500 m2 bvo is komen te vervallen. Ook de voorwaarde dat het aantal woningen niet mag wijzigen is per 1 november 2014 losgelaten.

Onderdeel 11 voorziet in de mogelijkheid om voor een periode van maximaal tien jaar strijdig gebruik van gronden en bouwwerken toe te staan. Ook hier is de tot 1 november 2014 geldende beperking dat het aantal woningen niet mag toenemen komen te vervallen.

Aan het toepassen van de kruimelregeling is wel een aantal beperkingen gesteld. De discussie spitst zich toe op artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor. Op grond van dit artikellid is artikel 4, onderdelen 9 en 11, niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Maar hoe moet deze bepaling precies uitgelegd worden, wat is het exacte toepassingsbereik?

Inmiddels zijn op dit punt diverse uitspraken van rechtbanken verschenen die elkaar tegenspreken. Zo oordeelt de Rechtbank Overijssel dat voor het toepassingsbereik van (de uitzonderingsbepaling) artikel 5, zesde lid, Bijlage II, Bor slechts bezien dient te worden of sprake is van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van de onderdelen C of D van het Besluit m.e.r. (Rb. Overijssel 14 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:90). Rechtbank Noord-Holland is daarentegen van oordeel dat bij het toepassingsbereik rekening moet worden gehouden met de in kolom 2 van de onderdelen C of D van het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarden De interpretatie, waarbij geen enkele betekenis meer toekomt aan deze drempelwaarden, heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat het toepassingsbereik van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor zodanig wordt verruimd dat dit haaks staat op de bedoeling van de wetgever (Rb. Noord-Nederland 26 april 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2041). Tot slot oordeelt de Rechtbank Midden-Nederland dat uitsluitend naar kolom 1 van de onderdelen C of D van het Besluit m.e.r. Volgens de rechtbank levert dit in de praktijk een duidelijk criterium op om te bepalen wanneer artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II van het Bor niet van toepassing is (Rb. Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2742).

Wat zegt de Voorzieningenrechter van de AbRvS?
De Voorzieningenrechter van de AbRvS leidt uit een passage uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Bor (Stb. 2014, 333, p.58) af dat de drempelwaarden die in kolom 2 van de C- en/of D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. worden genoemd, voor de toepassing van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor niet relevant zijn.

Concreet betekent dit dat bij de toepassing van de kruimelregeling slechts dan een uitzondering moet worden gemaakt, indien sprake is van een activiteit die is aangewezen op één van de lijsten van de bijlage bij het Besluit mer. Of daarbij daadwerkelijk drempelwaarden worden overschreden is volgens het voorlopig oordeel van de Voorzieningenrechter niet relevant.

Gevolgen voor de praktijk
Wat betekent het voorlopig oordeel van het Voorzieningenrechter van de AbRvS nu voor  de praktijk? Indien het voorlopig oordeel in de bodemprocedure wordt gevolgd, ontstaat – zoals de rechtbank Midden-Nederland ook overweegt – een duidelijk criterium om te bepalen wanneer de kruimelregeling mag worden toegepast. Dat is winst. Aan de andere kant zou dat wel betekenen dat het toepassingsbereik van de kruimelregeling wordt beperkt. Veel activiteiten kunnen immers ondergebracht worden onder de activiteiten zoals genoemd in kolom 1 van de C en/of D- lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Wij zijn erg benieuwd naar het oordeel van de AbRvS in de bodemprocedure. Wordt vervolgd!

Bronnen
AbRvS 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3279
Rb. Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2742
Rb. Noord-Nederland 26 april 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2041
Rb. Overijssel 14 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:90

Share This