brandOp 11 mei jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak gewezen over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang en het verhalen van de kosten van bestuursdwang  op grond van artikel 17.1 Wet milieubeheer (Wm) in het kader van asbest dat is vrijgekomen bij een brand in een loods.

Wat was er aan de hand?

In de avond van 7 juli 2013 heeft er een brand gewoed in een loods die bestond uit een houten constructie met golfplaten op het dak. De loods was gelegen in een woonwijk in Assendelft. De huurder van de loods dreef in de loods een eenmanszaak. Volgens de huurder van de loods werd de loods onderverhuurd en was er in de loods een hennepkwekerij aanwezig. Bij de brand is asbest vrijgekomen.

Op 8 juli 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (het college) besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen en heeft aan externe bedrijven opdracht verstrekt om de omvang van de asbestverspreiding te inventariseren en de asbestverontreiniging te saneren. Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college deze beslissing op schrift gesteld. Daarbij heeft het college aan de huurder van de loods in hoedanigheid van drijver van een inrichting medegedeeld dat de kosten daarvan op hem zullen worden verhaald. Aan het bestuursdwangbesluit is artikel 17.1 Wm ten grondslag gelegd. Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het college de kosten voor het voorbereiden en uitvoeren van bestuursdwang gesteld op € 145.939,31.

Huurder is niet-ontvankelijk in bezwaar tegen bestuursdwangbesluit

De huurder betoogt dat hij verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het bestuursdwangbesluit. Hij stelt dat hij pas bij de ontvangst van de kostenverhaalsbeschikking op 11 oktober 2013 op de hoogte is geraakt van het bestuursdwangbesluit. Hij stelt dat hij het bestuursdwangbesluit eerder niet per post heeft ontvangen noch dat het besluit op 16 juli 2013 aan hem is uitgereikt. Het college stelt dat het bestuursdwangbesluit op 16 juli 2013 zowel per gewone post als aangetekend is verzonden naar het woonadres van de huurder en voorts aan hem uitgereikt.

De Afdeling overweegt dat indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, onderzocht dient te worden of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten, aldus de Afdeling.

In deze zaak heeft het college aannemelijk kunnen maken dat het besluit aangetekend is verzonden. De huurder daarentegen heeft geen feiten of omstandigheden kunnen aanvoeren op grond waarvan aannemelijk is dat de kennisgeving niet door PostNL op zijn woonadres is achtergelaten. De enkele stelling dat een dergelijke kennisgeving niet is ontvangen, is volgende de Afdeling onvoldoende om de ontvangst daarvan niet aannemelijk te achten. Het niet afhalen van een aangetekend verzonden stuk en het niet kennisnemen daarvan komt in dit geval voor risico van de huurder.

Het voorgaande is standaardjurisprudentie. Meer interessant is de wijze waarop in geval van asbestbranden wordt omgegaan met kostenverhaal. Daarover het volgende.

Kostenverhaal

Tegen de kostenverhaalsbeschikking heeft de huurder wel tijdig rechtsmiddelen aangewend. De huurder betoogt onder meer dat (i) de toepassing van bestuursdwang niet spoedeisend was, (ii) dat het college ten onrechte de kosten van de toegepaste bestuursdwang op hem heeft verhaald, omdat hij niet is aan te merken als overtreder in de zin van artikel 17.1 Wm en (iii) dat het college in redelijkheid van kostenverhaal had moeten afzien, nu hem ten aanzien van de brand en de daardoor ontstane asbestverontreiniging geen verwijt kan worden gemaakt en het algemeen belang bij het ongedaan maken van de situatie in grote mate was betrokken. Deze gronden kunnen hem echter niet baten omdat zij zich richten tegen het onherroepelijke bestuursdwangbesluit, waarbij is besloten tot spoedeisende bestuursdwang en tot kostenverhaal op de huurder.

De huurder heeft evenmin aannemelijk kunnen maken dat de door het college bij hem in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn. Volgens de Afdeling heeft de huurder niet aannemelijk gemaakt dat met het dichttimmeren van het pand in plaats van het slopen en afvoeren van materialen had kunnen volstaan. Daarnaast acht de Afdeling het enkele feit dat er twee saneringsbedrijven zijn ingeschakeld geen aanleiding voor het oordeel dat de kosten die zijn gemaakt door de saneringsbedrijven niet redelijk zijn. Ook heeft de huurder volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het aantal personeelsleden dan wel gewerkte uren niet juist is weergegeven op de facturen.

Tot slot overweegt de Afdeling dat de door de huurder gestelde omstandigheden dat ten onrechte bij de uitvoering van de werkzaamheden niet met een plan van aanpak of conform het protocol aanpak asbestbrand is gewerkt, geen aanleiding vormen voor het oordeel dat het college de kosten van de bestuursdwang niet ten laste van de huurder heeft mogen laten.

Bron: AbRvS 11 mei 2016, nr. 201504682/1/A1.

Share This