Om iemand aan te kunnen merken als overtreder van artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb) is vereist dat diegene handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 Wbb heeft verricht. Dit geldt ook als diegene niet zelf de bedoelde handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend, omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem, of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. Op 4 november 2020 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een interessante uitspraak gewezen over het overtrederschap van zorgplichtbepalingen, waaronder artikel 13 Wbb.

Achtergrond

Op 18 en 26 april 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal controles uitgevoerd op een perceel waar een nertsenfokkerij is gevestigd. Het perceel bleek ernstig vervuild en verwaarloosd te zijn, met duidelijke sporen van verontreiniging. Op het perceel waren autowrakken, vaten met olie-afval, jerrycans met verontreinigende stoffen en asbestplaten aanwezig.

Het college heeft besloten om handhavend op te treden en heeft daarom lasten onder dwangsom opgelegd. De lasten waren deels gebaseerd op de zorgplichtbepalingen van artikel 13 Wet bodembescherming en/of artikel 10.1 Wet milieubeheer, en deels op art. 2.1 lid 2 sub l Activiteitenbesluit milieubeheer welk artikel alleen tot de drijver van een inrichting is gericht.

Appellante is tezamen met haar broer eigenaar van de inrichting (nertsenfokkerij) en het perceel waarop de inrichting is gelegen. Het eigendom hebben zij uit een onverdeelde nalatenschap verkregen, waarna appellante aan haar broer een volmacht heeft verleend waarmee het normale beheer van de nalatenschap bij de broer is komen te rusten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen drijver van de betrokken inrichting is en daarom niet valt aan te merken als overtreder. Zij heeft daarbij gewezen op de verleende volmacht en heeft betoogd geen toegang tot het perceel te hebben. Appellante stelt daarbij slechts voor de nertsen te hebben gezorgd terwijl haar broer was gearresteerd en de nertsen, daardoor, onbeheerd achterbleven.

Raad van State

De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 4 november 2020 overwogen dat, hoewel appellante ten tijde van de geconstateerde overtredingen een zekere bijdrage leverde aan de bedrijfsvoering van de nertsenfokkerij en bovendien mede-eigenaar was, niet kan worden geconcludeerd dat appellante zeggenschap uitoefenende over de inrichting. Dit zou het geval kunnen zijn als zij bestuurder en aandeelhouder was, een pakket aan taken en verantwoordelijkheden toebedeeld had gekregen of samen met haar broer de dagelijkse leiding in de inrichting had. Aangezien van deze omstandigheden geen sprake was en appellante een volmacht aan haar broer had verleend, ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat appellante als drijver van de nertsenfokkerij kwalificeert.

Aangezien appellante niet als drijver van de nertsenfokkerij wordt aangemerkt, komt de Afdeling tot de conclusie dat appellante ten onrechte door het college is aangemerkt als overtreder van art. 2.1 lid 2 sub l Activiteitenbesluit milieubeheer, hetgeen op de drijver van een inrichting ziet.

Dit laat echter onverlet dat aan appellante een verantwoordelijkheid toekomt op grond van de zorgplichtbepalingen, waaronder artikel 13 Wbb. Het perceel waarop de nertsenfokkerij is gevestigd bleek ernstig vervuild en verwaarloosd te zijn, met duidelijke sporen van verontreiniging. Op het perceel waren autowrakken, vaten met olie-afval, jerrycans met verontreinigende stoffen en asbestplaten aanwezig. Aangezien bij het terrein slechts één toegang tot het perceel werd gebruikt, hetgeen langs de sporen van verontreiniging voerde, kwam de Afdeling tot de conclusie dat appellante als mede-eigenaar had moeten begrijpen dat enig ingrijpen op grond van artikel 13 Wet bodembescherming en/of artikel 10.1 Wet milieubeheer noodzakelijk was. Het college heeft appellante naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht als mede-overtreder van de zorgplichtbepalingen aangemerkt. Verder oordeelt de Afdeling dat het college ervan uit heeft mogen gaan dat appellante als overtreder het vervolgens tevens in haar macht had om deze overtredingen te beëindigen. Weliswaar heeft zij gesteld dat haar broer haar soms de toegang tot het terrein heeft ontzegd, maar voor zover dat zo is, had zij daarmee als mede-eigenaar geen genoegen behoeven te nemen. Ook aan de verleende volmacht behoefde het college geen aanleiding te zien om eraan te twijfelen dat appellante de last zou kunnen uitvoeren.

De Afdeling heeft overwogen dat de lasten onder dwangsom voor zover het gaat om het overtreden van de zorgplichtbepalingen rechtmatig waren.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2639.

Share This