Wanneer een pand als monument is aangewezen, omvat de bescherming van het monument de gehele onroerende zaak. Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook het interieur. Dit om de historische verhalen die daarin schuil gaan te kunnen blijven behouden. Een uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020 maakt duidelijk dat het interieur van panden die niet zo’n monumentenstatus hebben een dergelijke bescherming niet toekomen. Een verwijzing naar de bescherming van het stadsgezicht waar de panden deel van uitmaken gaat ook niet op, nu een interieurverandering immers niets wijzigt aan het buitenaanzicht van de gevels.

 Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft een omgevingsvergunning verleend waarmee werkzaamheden aan meerdere appartementen op de Leidsekade in Amsterdam kunnen worden uitgevoerd die zien op het realiseren van een nieuwe indeling van het pand, renovatie, verduurzaming en funderingsherstel. De plannen voor het pand Leidsekade 102 zien alleen op funderingsherstel. Dit uit 1872 daterende woonhuis is aangewezen als gemeentelijk monument. De andere panden, te weten Leidsekade 100 en 101, zijn niet als monument aangewezen.

De huurders van Leidsekade 100 en 101 kunnen zich niet met de omgevingsvergunning verenigen, omdat de verbouwing onherstelbare schade zou toebrengen aan het historische interieur van de panden. Omdat het bouwplan bovendien gevolgen heeft voor hun huursituatie zouden zij waarschijnlijk niet meer in de panden kunnen blijven wonen. In beroep oordeelt de rechtbank dat de betreffende panden niet als rijks- of gemeentelijk monument zijn aangewezen en daarvoor dus ook niet de bescherming op basis van de Monumentenwet 1988 en de Erfgoedverordening Stadsdeel Centrum geldt.

De huurders wijzen er in hoger beroep op dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte niet aan de bestemming “Waarde-Cultuurhistorie” heeft getoetst. Nu het plan voorziet in de sloop van de bestaande interieurs van de panden Leidsekade 100 en 101, is niet voldaan aan de bestemmingsomschrijving waaruit volgt dat de betreffende gronden mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden. Dit klemt temeer, nu de panden zijn aangeduid met de specifieke bouwaanduiding ‘orde 1’, ofwel het hoogste beschermingsniveau.

Oordeel Voorzieningenrechter Afdeling

Met dit betoog gaat de Voorzieningenrechter van de Afdeling echter niet mee. Het college heeft zich, gebaseerd op adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK), op het standpunt gesteld dat, nu na de verbouwing het buitenaanzicht van de gevels en de kap van de panden niet wijzigt, het bouwplan niet in strijd is met de bestemmingsomschrijving. Dat is volgens de Voorzieningenrechter geen onjuist standpunt.

De bepaling uit de planregels waarin wordt gerefereerd naar ‘de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden’ moet niet zo worden uitgelegd dat deze waarden, naast op het uiterlijk van de gebouwen, ook zien op de bestaande interieurs en de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van de panden. De bestaande interieurs van de panden Leidsekade 100 en 101 vallen dus niet onder de bescherming van de betreffende bepaling. De bescherming vanwege het aan de orde zijnde beschermde stadsgezicht, ziet naar zijn aard op de karakteristieke waarden van het aanzicht van het als zodanig aangewezen gebied.

Bovendien heeft de CRK meerdere malen over het bouwplan geadviseerd waarin de vraag of aan de planregels wordt voldaan al uitgebreid is meegenomen. Daarbij heeft de CRK de ‘orde-1’-status van de panden Leidsekade 100 en 101 ook onderkend, maar is desalniettemin tot de conclusie gekomen dat aan de interieurs van genoemde panden geen bescherming toekomt nu het niet gaat om aangewezen monumenten. En dat oordeel is volgens de Voorzieningenrechter terecht. De CRK is een deskundigencommissie die de gemeente onder andere adviseert over cultuurhistorie, welstand en monumenten. Het college mocht zich gewoon op de adviezen van de CRK baseren.

De verleende omgevingsvergunning is kortom niet in strijd met de geldende bestemming “Waarde-Cultuurhistorie” en dus terecht verleend.

De Voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek redelijkerwijs niet zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak waardoor in deze zaak met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1840.

Share This