De Afdeling heeft een incidenteel hoger beroep aangemerkt als principaal hogerberoepschrift omdat het beroep hetzelfde doel nastreeft als het beroep van appellant. Daarmee is het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Incidenteel hoger beroep

In de Awb is bepaald dat als hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen (maar dat heeft nagelaten), incidenteel hoger beroep mag instellen. Dat moet gebeuren binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden (zie artikel 8:110, lid 1 en 2, Awb). Daarmee kan de insteller van het incidenteel beroep ook zelfstandig gronden in het geding brengen (in reactie op het hoger beroep) en is hij niet langer beperkt tot het voeren van verweer op dat hoger beroep. De hoofdregel is immers dat de omvang van het geding wordt bepaald door de gronden van het geding zoals die worden geformuleerd door appellant (zie Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 23).

Idee hierachter is dat de insteller van het incidenteel hoger beroep daarmee kan voorkomen dat hij in een slechtere positie komt te verkeren naar aanleiding van het door de principaal appellant ingesteld hoger beroep. Ook kan hij proberen zijn positie ten opzichte van de principaal appellant te versterken, door alsnog zelfstandig bepaalde oordelen van de uitspraak in eerste aanleg te bestrijden. De principaal appellant krijgt op zijn beurt juist te maken met het procesrisico van het ongunstigere resultaat en zal dus goed moeten nadenken over het al dan niet instellen van hoger beroep.

Wat speelde er?

In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 1 november jl., speelde de volgende casus. A verzoekt om handhaving wegens met het bestemmingsplan strijdige activiteiten, die zouden worden verricht door B. Het college heeft dit verzoek afgewezen bij besluit in primo en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van A gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Tegen die uitspraak heeft B hoger beroep ingesteld. Ook het college heeft hoger beroep ingesteld. De Afdeling stelt de vraag of het college in zijn hoger beroep kan worden ontvangen omdat ook het college vernietiging van de uitspraak nastreeft.

Oordeel Afdeling

De Afdeling constateert dat de gronden die het college aanvoert, er blijk van geven dat het college hetzelfde doel nastreeft als appellant B. Zij willen beide vernietiging van de uitspraak en ongegrondverklaring van het door A ingestelde beroep. De Afdeling is van mening dat de aanleiding voor het instellen van incidenteel hoger beroep moet liggen in het ingestelde principaal hoger beroep (i.c. van B). Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en naar haar eerdere uitspraken overweegt de Afdeling dat een incidenteel hoger beroepschrift dient als ‘tegenaanvalswapen’ ten opzichte van het principaal hogerberoepschrift en niet als ondersteuning daarvan. Daarom merkt de Afdeling het beroep van het college aan als principaal hogerberoepschrift.

Omdat het beroep van het college moet worden aangemerkt als principaal hogerberoepschrift beoordeelt de Afdeling of dat binnen de daarvoor beschikbare termijn is ingediend. In casu liep de termijn voor het instellen van hoger beroep af op 25 juli 2016 en is het hoger beroep van het college van 30 augustus 2016 te laat ingediend. Het hoger beroep van het college is daarom niet-ontvankelijk.

Betekenis praktijk

Incidenteel hoger beroep kan niet (buiten de hogerberoepstermijn) worden ingesteld als daarmee slechts het principaal hoger beroep wordt ondersteund. Er moet sprake zijn van een reactie op het principaal rechtsmiddel. Dat betekent dat het incidenteel appèl ertoe zou moeten kunnen leiden dat verweerder ten opzichte van de uitspraak in eerste aanleg in een gunstigere rechtspositie kan komen te verkeren.

Bron: AbRvS 1 november 2017, nr. 201605460/1/A1; Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3.

Share This