Op 21 april 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2017:761) over twee onteigeningsrechtelijke kwesties. De eerste betrof de vraag aan welke eisen een verzoek tot onteigening uit hoofde van titel II onteigeningswet moet voldoen. De tweede betrof de vraag of een vonnis tot vervroegde onteigening uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

In het arrest doet de Hoge Raad de zaak af op basis van artikel 81, lid 1 RO. Dat betekent dat de aangevoerde klacht niet alleen niet tot cassatie kan leiden maar ook niet noopt tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en in zo’n situatie behoeft de Hoge Raad zijn oordeel niet te motiveren.
In zoverre zou men geneigd zijn te denken dat het arrest niet interessant is.

Wel interessant is echter de conclusie van Advocaat-Generaal W.L. Valk (ECLI:NL:PHR:2017:182). Een bespreking van deze conclusie kan hier dan ook niet achterwege blijven.

Achtergronden
Bij brief van 18 maart 2014 had de algemeen directeur van het Waterschap Vallei en Veluwe aan het college van dijkgraaf en heemraden verzocht in te stemmen met het indienen van een verzoek tot onteigening in verband met het projectplan Zuidelijke randmeren. Het college heeft met dit verzoek ingestemd. Vervolgens heeft de algemeen directeur aan de Kroon verzocht de gronden ter onteigening aan te wijzen. De Kroon wijst het verzoek toe en stelt dat er geen misverstand over kan bestaan dat het college de algemeen directeur heeft gemachtigd om de Kroon te verzoeken de percelen ter onteigening aan te wijzen.

De rechtbank spreekt de vervroegde onteigening uit en overweegt (r.o.):
a. dat een onteigeningsbesluit of –verzoek van het algemeen bestuur van het waterschap niet vereist was;
b. dat het betoog dat de algemeen directeur niet bevoegd was niet baat omdat in het geheel geen verzoekbesluit nodig was;
c dat bovendien de directeur wel degelijk bevoegd was het verzoek in te dienen nu hij blijkens de handgetekend akkoordverklaring op het voorstel van 18 maart 2014 daartoe door het dagelijks bestuur gemachtigd was.
Voorts verklaart de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, terwijl dit overigens niet door het Waterschap was gevorderd.

Tegen deze oordelen wordt in cassatie opgekomen.

Conclusie AG Valk
De eerste grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank omtrent de bevoegdheid van de algemeen directeur om een verzoek tot onteigening in te dienen en daaraan gerelateerd of een verzoekbesluit van het algemeen bestuur vereist was.
De AG bespreekt uitgebreid het stelsel van de onteigeningswet en het onderscheid tussen de gang van zaken voorafgaand aan de aanwijzing ter onteigening door de Kroon uit hoofde van titel II e.v. en uit hoofde van titel IV. De AG stelt dat de wetgever reeds in titel II van de oorspronkelijke onteigeningswet voor nauwkeurig omschreven gevallen volstaan kon worden met de aanwijzing ter onteigening door de Kroon bij Koninklijk Besluit. Later zijn daar andere titels aan toegevoegd, waaronder titel IIa.
Titel IV hield en houdt een ander stelsel in. Was het voor inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet de gemeenteraad die tot onteigening besloot en de Kroon dit besluit diende goed te keuren, na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet wordt ook het besluit tot aanwijzing ter onteigening door de Kroon genomen, maar dient daaraan vooraf te gaan een besluit van het algemeen bestuur van de lagere overheid waarin om die aanwijzing wordt verzocht (in de wandelgangen: het verzoekbesluit).
Er is dus na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet wel sprake van een zekere gelijkschakeling van titel IV met de titels II e.v., maar het traject daaraan voorafgaand is nog steeds wezenlijk verschillend.
De AG beschrijft uitgebreid de wetsgeschiedenis van de onteigeningswet en de totstandkomingsgeschiedenis van de Crisis- en herstelwet en komt tot de conclusie dat voor een onteigening uit hoofde van de titels II en IIa, anders dan in geval van een onteigening op grond van titel IV, geen formeel verzoek van de lagere overheid is vereist. In de praktijk neemt de lagere overheid ook in geval van een onteigening uit hoofde van de titels II en IIa wel degelijk het initiatief tot de onteigening. In die zin kan men, met artikel 63, lid 4, Ow, de Leidraad en de Handreiking, van een ‘verzoek tot onteigening’ spreken. Eisen waaraan een zodanig verzoek moet voldoen, stelt de onteigeningswet niet. Het zorgvuldigheidsbeginsel en de beleidsregels van de Leidraad en Handreiking zijn bepalend.

Naar aanleiding van de klacht dat het uitvoerbaar verklaren van een vervroegd onteigeningsvonnis in strijd is met het systeem van de onteigeningswet, overweegt de AG dat eiser bij deze klacht geen belang heeft, omdat ofwel het vonnis wordt vernietigd ofwel het in kracht van gewijsde gaat en in beide gevallen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zelfstandige betekening is. Ten overvloede gaat de AG toch op de klacht in en stelt dat de onteigeningswet zich inderdaad verzet tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een vervroegd uitgesproken onteigening. Immers, voor onteigening is nodig, dat het vervroegde onteigeningsvonnis wordt ingeschreven in de openbare registers en dat kan pas nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

De AG komt ter zake van beide cassatiemiddelen tot de conclusie dat zij niet slagen en de Hoge Raad volgt dit oordeel.

Conclusie
Een duidelijke en nuttige uitleg van het systeem van de onteigeningswet.

Share This