Een wethouder van de gemeente Waalwijk heeft een toezegging gedaan aan de aanvrager van een omgevingsvergunning. De toezegging rechtvaardigt de verwachting van de aanvrager. De Afdeling komt in haar uitspraak van 9 september jl. tot dezelfde conclusie. Toch betekent dit volgens de Afdeling niet zonder meer dat die verwachting moet worden nagekomen. De Afdeling kent daarbij grote betekenis toe aan de belangen van derden. Die kunnen er onder omstandigheden voor zorgen dat het gewekte vertrouwen niet hoeft te worden nagekomen. In dit blogbericht lichten wij de uitspraak toe.

Waar ging het over?

Bij de gemeente Waalwijk wordt een aanvraag ingediend voor de kamergewijze verhuur van een woonhuis in Waalwijk, met als doel het huisvesten van vijftien arbeidsimmigranten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het college) toetst de aanvraag aan de in 2017 geldende beleidsregels en verleent in overeenstemming met die regels de omgevingsvergunning. Omwonenden vrezen overlast en tekenen bezwaar aan tegen de omgevingsvergunning. Het college gaat in de bezwaarfase over tot een volledige heroverweging en toetst de verleende omgevingsvergunning aan de in de tussentijd ingegane nieuwe beleidsregels. In de nieuwe beleidsregels is opgenomen dat huisvesting van arbeidsmigranten niet is toegestaan, dit ter bescherming van een goed woon-, leef- en ondernemersklimaat. Huisvesting van arbeidsmigranten in de nieuwe beleidsregels is daarom alleen toegestaan in een geheel vrijstaand gebouw én indien de verkeersbehoefte op eigen terrein plaats vindt. In dit geval is de woning niet vrijstaand en wordt niet voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college besluit daarom de omgevingsvergunning in overeenstemming met het gewijzigde beleid te herroepen en alsnog te weigeren.

Tegen deze weigering wordt door de aanvrager van de omgevingsvergunning opgekomen. De aanvrager doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De portefeuille-houdende wethouder van de gemeente Waalwijk heeft hem namelijk toegezegd dat het college ook in bezwaar de oude beleidsregels uit 2017 zou toepassen. Volgens de aanvrager mocht hij redelijkerwijs veronderstellen dat de wethouder de opvatting van het college vertegenwoordigde. Hij voert aan dat de omgevingsvergunning in overeenstemming met deze gewekte verwachtingen in bezwaar in stand had moeten blijven.

Wat oordeelt de Afdeling?

De Afdeling oordeelt dat de wethouder een toezegging heeft gedaan waarvan de aanvrager redelijkerwijs kon aannemen dat die de opvatting van het college vertolkte. Daarbij neemt de Afdeling ten eerste in overweging dat het de portefeuillehoudende wethouder betreft. Ten tweede vindt de Afdeling van belang dat het college op de zitting heeft verklaard dat hij zich gedurende de bezwaarschriftenprocedure op het standpunt heeft gesteld dat de toets in dit geval aan de oude beleidsregels uit 2017 zou geschieden, zodat ook op die wijze gerechtvaardigde verwachtingen bij de aanvrager werden gewekt.

Niettemin kunnen volgens de Afdeling zwaarder wegende belangen, zoals belangen van derden, aan het honoreren van de gerechtvaardigde verwachtingen in de weg staan. De Afdeling acht hierbij van belang dat naar aanleiding van het project grote onrust in de omgeving is ontstaan en een groot aantal omwonenden bezwaar heeft gemaakt. Los van de gedane toezeggingen aan de aanvrager moest het college de verlening van de omgevingsvergunning ook in het licht van de aangevoerde bezwaren heroverwegen. De Afdeling benadrukt dat het college in de heroverweging belang heeft mogen toekennen aan het feit dat de nieuwe beleidsregels juist zijn opgesteld ter bescherming van een goed woon-, leef- en ondernemersklimaat van de derde belanghebbenden. Dat brengt met zich dat grootschalige huisvesting van de arbeidsmigranten die geen huishouden vormen niet wenselijk is in woongebieden. Vervolgens benadrukt de Afdeling dat in woongebieden alleen kleinschalige huisvesting van arbeidsmigranten dient plaats te vinden. De verleende omgevingsvergunning ziet op grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten in een niet-vrijstaande woning in een woongebied. De Afdeling oordeelt dat dit – gelet op de nieuwe beleidsregels en de intentie hiervan – ongewenst is. De Afdeling concludeert dat in deze omstandigheden het college in het belang van een goed woon- en leefklimaat van omwonenden terecht aanleiding kon vinden om van inzicht te veranderen en de omgevingsvergunning in overeenstemming met het nieuwe beleid te weigeren.

De les voor de praktijk

In deze uitspraak wordt het belang van de volledige heroverweging met inachtneming van de belangen van derden in bezwaar benadrukt. In de bezwaarfase geldt als uitgangspunt dat de beleidsregels moeten worden toegepast zoals die op dat moment gelden. Alleen in bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Hoewel een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel een bijzondere omstandigheid kan zijn moeten daartegen ook altijd de belangen van derden worden afgewogen. Als dit zwaarwegende belangen zijn die \zwaarder wegen dan kan dat een reden zijn van inzicht te veranderen en het gewekte vertrouwen niet te honoreren. Overigens moet dan wel worden onderzocht of compensatie moet worden geboden voor de mogelijk geleden schade.

Klik hier voor de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2175.

Share This