Een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel bij de bestuursrechter was in het verleden relatief zeldzaam. Vreemd was dit niet, gezien de strenge voorwaarden waaraan moest worden voldaan alvorens zo’n beroep gehonoreerd werd. Naar aanleiding van een conclusie van A-G Wattel uit 2019 is een driestappenplan geïntroduceerd die de bestuursrechter doorloopt als hij moet beoordelen of door een, of namens een overheidsorgaan vertrouwen is gewekt. Op 4 november 2021 deed de rechtbank Amsterdam een uitspraak waarin het beroep op het vertrouwensbeginsel werd geaccepteerd. Wij nemen u mee in de overwegingen van de zaak.

De feiten

Een inwoner van Amsterdam met de wens om achter zijn woning een steiger te plaatsen, zocht daarover enkele jaren geleden advies bij Stichting Waternet: het door de gemeente Amsterdam opgerichte overheidsbedrijf dat zich bezighoudt met drinkwatervoorziening, riolering en waterbeheer. Waternet deelde hem toen mede dat hij de gewenste steiger vergunningsvrij kon bouwen. Daarop besloot hij in april 2014 tot de bouw van de steiger over te gaan.

Enkele jaren later, in 2017, meent het college van burgemeester en wethouders (college) van Amsterdam dat de plaatsing van de steiger in strijd is met de Verordening op het binnenwater (de Vob), nu een ontheffing op grond van die lokale verordening ontbreekt. Daarop legt het college de Amsterdammer een last onder dwangsom op. Nadat het college zijn bezwaar hiertegen – op basis van een ingewonnen advies – ongegrond verklaart, buigt de rechter zich vervolgens over de vraag of het college de last terecht heeft opgelegd, of dat het beroep dat de Amsterdammer hier doet op het vertrouwensbeginsel kans van slagen heeft.

De beoordeling

Voor de beantwoording van deze vraag loopt de bestuursrechter puntsgewijs de drie (cumulatieve) stappen af, zoals geformuleerd door advocaat-generaal Wattel in zijn conclusie (ECLI:NL:RVS:2019:896) en overgenomen door de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694).

Kon de uitlating van Waternet gezien worden als toezegging?

Daarbij komt allereerst de vraag aan bod of de uitlating van Waternet kan worden gezien als een toezegging. In beginsel moet de overheid vanwege het vertrouwensbeginsel een gedane toezegging ook nakomen. Om aan te nemen dat sprake is van zo’n toezegging, moet Waternet bij de man de indruk hebben gewekt dat hij de steiger kon plaatsen zonder dat in de toekomst mogelijk gehandhaafd zou worden. De nadruk ligt hierbij op hoe de uitlating op een redelijk denkende burger is overgekomen, en niet op hoe de uitlating door het bestuursorgaan is bedoeld.

De uitlating van Waternet kon gezien worden als toezegging, zo stelt de rechtbank. De inwoner heeft bij de gemeente geïnformeerd naar de procedures om een steiger te bouwen, en is voor een antwoord op die vraag doorverwezen naar Waternet. Waternet – en dan specifiek een medewerker van Waternet die werkzaam is bij de afdeling planadvies & vergunningen – liet hem vervolgens via een e-mail weten dat hij de steiger vergunningsvrij mocht bouwen. Dat deze uitlating alleen zag op de Keur (de regels van het betreffende waterschap) en de medewerker daarbij niet vermeldde dat nog een ontheffing nodig was op grond van de Vob, kan de eiser volgens de rechtbank niet worden aangerekend. Hij mocht er aldus op vertrouwen dat hem was toegezegd dat hij de steiger daadwerkelijk mocht bouwen.

Kan deze toezegging ook aan het college worden toegerekend?

Of de toezegging van Waternet het college ook kon worden toegerekend, hangt af van de vraag of degene aan wie de toezegging is gedaan op goede gronden mocht veronderstellen dat de medewerker van Waternet de opvatting van het college vertolkte. Hierbij is de exacte bevoegdheidsverdeling minder van belang dan de perceptie van de burger.

Ook op deze vraag luidt het oordeel van de rechtbank dat de man het bericht van Waternet inderdaad zo mocht opvatten, bovenal omdat in de zojuist al aangehaalde e-mail expliciet vermeld stond dat Waternet onder de gemeente valt. Daar komt nog bij dat ook in het primaire besluit stond dat Waternet namens het college (het bevoegde bestuursorgaan) handelde. Daarom kan de toezegging aan het college worden toegerekend, en slaagt ook deze stap.

Moet het gewekte vertrouwen worden nagekomen?

Voor de derde vraag, namelijk of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen, moet worden beoordeeld of er geen andere zwaarder wegende belangen zijn die nakoming van de gewekte verwachtingen in de weg staan. De rechtbank stelt dat het algemeen handhavingsbelang zwaar weegt, maar dat dit belang niet doorslaggevend is indien er verder geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis bestaan. En dat is hier niet het geval. De rechtbank gaat mee in de redenering dat er nooit problemen met of klachten over de steiger zijn geweest, en er 3.5 jaar niet gehandhaafd is terwijl er geregeld boten (van verweerder en Waternet) langs de steiger kwamen.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, en de eiser mag zijn steiger behouden.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6651).

Share This