Op 16 maart j.l. heeft de Afdeling een interessante uitspraak (ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:969) gedaan. De Afdeling gaat in op de rol van geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de noodzaak van een akoestisch onderzoek bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat.

Wat speelde er?

In deze zaak werd een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het gebruik van een pand als eetcafé, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. De omgevingsvergunning was nodig om  het gebruik van een pand als eetcafé te legaliseren. Omwonenden stellen in bezwaar en beroep dat het eetcafé hun woon- en leefklimaat onevenredig aantast, vanwege de geluid- en parkeeroverlast die het eetcafé veroorzaakt.

In eerste aanleg overwoog de rechtbank dat het besluit niet zorgvuldig tot stand was gekomen voor wat betreft de aspecten geluid en parkeren. Volgens de rechtbank berustte het besluit op deze aspecten evenmin op een deugdelijke motivering. Het algemeen bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam en het eetcafé voeren in hoger beroep aan dat de normen van het Activiteitenbesluit gelden. Volgens hen mag uitgegaan worden van een goed woon- en leefklimaat, wanneer aan deze normen wordt voldaan.

Volgens het stadsdeel en het eetcafé voldoet het eetcafé aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit.  Zij voeren echter aan dat zij niet gehouden zijn een akoestisch onderzoek te doen, omdat de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo.

Belangrijkste overwegingen van de Afdeling

De Afdeling overweegt dat ook bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, geldt dat een omgevingsvergunning enkel kan worden verleend wanneer het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Van deze strijd is onder meer  sprake wanneer een goed woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd als gevolg van een project, of wanneer op voorhand al aannemelijk is dat het project niet uitvoerbaar is.

Het antwoord op de vraag of het eetcafé kan voldoen aan de normen van het Activiteitenbesluit, is voor de Afdeling voor deze beide onderdelen van belang. Daarnaast is het van belang dat ook geluid wordt betrokken waarop het Activiteitenbesluit geen betrekking heeft, zoals stemgeluid van bezoekers aan de openbare weg. Een akoestisch onderzoek is dan ook nodig voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet berust op een deugdelijke motivering, nu een dergelijk akoestisch onderzoek ontbreekt.

Interessant is nog dat het gebrek volgens de appellanten is hersteld door een overlegd rapport van het GeluidBuro. De Afdeling stelt dat middels dit rapport niet alsnog toereikend wordt gemotiveerd dat aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Sterker nog, op grond van het rapport kan dat standpunt worden betwijfeld, omdat het gemeten stemgeluid in de avond op de gevel van gevoelige gebouwen tot een hoger langtijdgemiddeld beoordelingsniveau leidt dan is toegestaan op basis van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit.

Waarom is deze uitspraak van belang?

Deze uitspraak is van belang omdat de Afdeling meerdere belangrijke punten aansnijdt. Ten eerste betekent het feit dat een omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, niet dat een akoestisch rapport niet meer vereist is om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt duidelijk dat ook geluid waarop het Activiteitenbesluit geen betrekking heeft, van belang kan zijn voor de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat.

Bron: ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:969.

Share This