Bij arrest van 27 januari jl. heeft de Hoge Raad bepaald dat geen wettelijke rente mag worden gerekend over het verschil tussen het aan de onteigende toegekende voorschot en de uiteindelijk lager vastgestelde schadeloosstelling.

Casus
Het betrof een onteigening in de gemeente Utrecht. Door de rechtbank was uiteindelijk een lager bedrag van € 1.735.000,= aan schadeloosstelling vastgesteld  dan het door de gemeente aan de onteigenden betaalde voorschot van  € 2.346.857,10. De onteigende was door de rechtbank veroordeeld om het verschil van € 611.857,10 aan de gemeente terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling van het voorschot door de gemeente tot aan de dag van terugbetaling door de onteigende.

Strijd met vaste rechtspraak
De Hoge Raad acht de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over het teveel betaalde voorschot in strijd met de in de rechtspraak aanvaarde regel, dat bij de berekening van de aan de onteigende toekomende schadeloosstelling de voor hem uit de onteigening voortvloeiende voor- en nadelen met elkaar verrekend moeten worden, met dien verstande dat die voordelen niet in mindering mogen worden gebracht op de vergoeding wegens het verlies van de werkelijke waarde van het onteigende. De Hoge Raad verwijst hierbij naar de arresten van 11 april 1984 en 20 november 1996. Nu in het onderhavige geval de aan de onteigende toekomende schadeloosstelling uitsluitend is toegekend ter zake van het verlies van de werkelijke waarde van het onteigende, heeft de rechtbank in strijd met voornoemde regel een voordeel over het te hoog vastgestelde voorschot op die schadeloosstelling in mindering gebracht.

Breuk met verleden
Interessant is dat de Hoge Raad vervolgens overweegt dat hij aanleiding ziet terug te komen op de hierboven genoemde rechtspraak, in zoverre dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling geen rekening meer mag worden gehouden met voordelen die de onteigende eventueel kan genieten uit het (achteraf bezien) te hoge voorschot dat hem na de vervroegde onteigening is betaald. Met andere woorden: er mag nooit wettelijke rente worden gerekend over het terug te betalen deel van het te hoge voorschot. Redengevend acht de Hoge Raad dat het in de risicosfeer van de onteigenaar ligt dat het voorschot te hoog wordt vastgesteld. Ook is het lastig om vast te stellen of een onteigende voordeel heeft genoten van het te hoge voorschot. Overigens kan wel wettelijke rente door de onteigende verschuldigd zijn als hij het verschil niet terugbetaalt en daarvan in verzuim is (ex art. 6:119 BW).

Bronnen:
– HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:94;
– HR 11 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC1944;
– HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2647.

Share This