Met enige regelmaat worden omgevingsvergunningen van een veehouderij bij de bestuursrechter aangevochten, vanwege de impact die deze bedrijven op het milieu kunnen hebben. In een reeks van zeven uitspraken, over zeven afzonderlijke veehouderijen, laat de rechtbank Oost-Brabant zich onder meer uit over de vraag of het college bevoegd is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (gedeeltelijk) in te trekken wanneer een veehouderij van die vergunning niet (volledig) gebruikmaakt. In dit blog gaan wij in op de uitspraak met zaaknummer 20/614.

Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden (het college) heeft een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend aan een veehouder voor het uitbreiden van haar inrichting, waar onder andere vleeskuikens en melk- en kalfkoeien worden gehouden. Op basis van de OBM mag de veehouder 20.000 vleeskuikens en 104 stuks rundvee hebben.

Drie milieustichtingen dienen bij het college een verzoek tot (gedeeltelijke) intrekking van de omgevingsvergunning voor de veehouderij in, omdat volgens hen al meer dan drie jaar veel minder dieren worden gehouden dan vergund. Hiermee doen de stichtingen een beroep op artikel 2.33 lid 2 sub a Wabo, op basis waarvan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken wanneer gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

De veehouder heeft zelf bevestigd dat zij niet altijd het volledig toegestane stuks pluimvee heeft gehouden. Er zijn periodes geweest dat zij substantieel minder pluimvee hield met het oog op het behoud van een ‘beter leven keurmerk’. Op andere momenten hield zij wel het volledig toegestane aantal. Verder heeft zij in 2019 twee rundveestallen ontmanteld, maar is zij wel voornemens om weer jongvee te gaan houden.

Het college is niet overgegaan tot intrekking van de OBM, omdat onderbezetting in de stallen volgens het college geen reden is om gebruik te maken van de bevoegdheid om een vergunning (gedeeltelijk) in te trekken op grond van de Wabo. De stichtingen zijn het hier niet mee eens en gaan in beroep bij de rechtbank.

Hoe oordeelt de rechtbank?

De rechtbank Oost-Brabant schetst in deze uitspraak gestructureerd en vraagsgewijs een kader voor de beoordeling van een verzoek om intrekking van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a Wabo. Dit kader ziet op de bewijslast en de intrekkingsbevoegdheid. Achtereenvolgens komen de volgende twee vragen aan bod:

(1) Op wie rust de bewijslast dat er gedurende een bepaalde periode geen handelingen zijn verricht met gebruik van omgevingsvergunning en waar moet een verzoek om intrekking op deze grondslag in ieder geval aan voldoen?

De rechtbank stelt allereerst dat verzoeken om omgevingsvergunningen in te trekken niet lukraak kunnen worden gedaan. In deze zaak is dat ook niet het geval geweest. De stichtingen hebben hun verzoek onder meer onderbouwd met de resultaten van zogenaamde meitellingen uit het verleden. Agrariërs moeten ieder jaar, omstreeks de maand mei, bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland een opgave indienen waarbij zij onder andere een melding maken van het aantal dieren dat wordt gehouden. Deze diertellingen worden aangeduid met de term meitellingen. Onder verwijzing naar Afdelingsuitspraken zoals gedaan onder het regime van de voormalige Hinderwet, overweegt de rechtbank dat meitellingen ‘een begin van bewijs’ kunnen opleveren voor de stelling dat minder dieren zijn gehouden.

Door de meitellingen over een periode van drie jaar of langer te overleggen, waaruit dan vervolgens ook blijkt dat in de inrichting over een periode van drie jaar of langer geen of minder dieren aanwezig zijn dan vergund, onderbouwen de stichtingen hun verzoek om intrekking voldoende. Op een dergelijke wijze hebben zij een begin van bewijs geleverd. Het is vervolgens aan het college om daarvan het tegendeel te bewijzen.

(2) Kan en mag het college de omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken als een omgevingsvergunning gedeeltelijk niet is gebruikt?

De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning in ieder geval door het college kan worden ingetrokken als niet is overgegaan tot het bouwen van (een van) de stallen van een bedrijf. De vraag die zich in deze zaak voordoet is echter of de bevoegdheid om in te trekken ook bestaat als de stal wel gebouwd is, maar er gedurende drie jaren minder of geen dieren zijn gehouden.

De werking van de inrichting omvat namelijk niet alleen de boerderij met stallen, maar ook de dieren in die stallen. Als er geen dieren worden gehouden, dan worden geen handelingen in die stal verricht met gebruikmaking van de vergunning. Dit kan blijken uit een ander gebruik van de stal, bijvoorbeeld voor opslag (zie een uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015).

Het college is daarbij alleen bevoegd om in te trekken als er drie jaar of langer helemaal géén dieren van een bepaalde diercategorie in de betreffende stal worden gehouden, aldus de rechtbank. Dit moet bovendien per stal worden bekeken. Als er wel een deel van de dieren van de juiste diercategorie zijn gehouden in de stal, dan is verweerder niet bevoegd. Ook al gaat het dan misschien om minder dieren dan vergund, er worden wel handelingen verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. De veehouder kan op ieder moment besluiten om meer dieren te gaan houden. Zolang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om opnieuw de vergunde activiteiten te gaan uitvoeren. Als er wel een deel van de dieren van de juiste diercategorie zijn gehouden in de stal, dan is het college niet bevoegd.

Een andere uitleg zou ertoe leiden dat het college bij iedere vermindering van het aantal dieren na drie jaar zou moeten beoordelen of de omgevingsvergunning voor dat deel moet worden ingetrokken. Gelet op de veel voorkomende fluctuaties in het aantal dieren dat wordt gehouden in een veehouderij die inherent zijn aan de bedrijfsvoering van een veehouder, is dit een (te) zware bestuurlijke taak.

Concluderend

In de besproken rechtbankuitspraak staat niet centraal op welke wijze het college gebruik moet maken van de intrekkingsbevoegdheid, maar of het college deze bevoegdheid in de gegeven omstandigheden überhaupt heeft.

Allereerst oordeelt de rechtbank, in navolging van de Afdeling, dat het overleggen van meitellingen van ten minste drie jaar kwalificeert als een begin van bewijs bij het aantonen dat een vergunning niet wordt gebruikt.

Het college wordt verder alleen bevoegd geacht om een omgevingsvergunning in te trekken als er drie jaar of langer helemaal geen dieren van een bepaalde dierencategorie in de betreffende stal worden gehouden. Daarbij heeft de rechtbank oog voor de bestuurspraktijk. Als deze bevoegdheid ook zou bestaan bij het houden van minder dieren dan vergund, zou dat vanwege de fluctuaties binnen veehouderijen leiden tot een (te) zware bestuurlijke taak voor het college.

Waar het gaat om de veehouder in deze zaak geldt dat zij steeds alle stallen doorlopend in gebruik had, zij het met minder dieren dan vergund. Daarnaast is na de ontmanteling van twee rundveestallen in 2019 nog geen periode van drie jaar verstreken. Kortom is niet komen vast te staan dat de veehouder gedurende drie jaar in een stal geen dieren van een bepaalde diercategorie heeft gehouden. De rechtbank volgt het college dan ook in het oordeel dat het college niet bevoegd was de OBM gedeeltelijk in te trekken op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a Wabo.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6271.

Share This