In een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek om nadeelcompensatie van een omwonende van de luchthaven Eindhoven wegens toegenomen geluidhinder, terecht is afgewezen.

Achtergrond

Op de militaire luchthaven Eindhoven vindt sinds 1982 (ook) burgerluchtvaartverkeer plaats. Aanvankelijk werd dit gebruik mogelijk gemaakt door middel van ontheffingen voor burgermedegebruik. Sinds 2014 geldt voor de militaire luchthaven Eindhoven het Luchthavenbesluit Eindhoven en is gebruik door Eindhoven Airport voor burgerluchtverkeer mogelijk op basis van een vergunning burgermedegebruik.

X is eigenaar van twee woningen gelegen in het verlengde van de start- en landingsbaan. X heeft deze woningen gekocht in 1993 respectievelijk in 2009. Hij stelt dat hij schade lijdt wegens de toegenomen geluidhinder door de burgerluchtvaart op de luchthaven. De oorzaak van de schade is gelegen in de toename van het aantal vliegtuigbewegingen en de verruiming van de vliegtijden. X meent dat hij er ten tijde van de aankoop van zijn woningen van uit mocht gaan dat maximaal 18.050 civiele vliegtuigbewegingen zouden zijn toegestaan en dat hij nooit heeft kunnen voorzien dat dat aantal zo explosief zou stijgen als is gebeurd.

De minister van Defensie en de staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu hebben het verzoek van X afgewezen, omdat de schade voor X voorzienbaar was.

De uitspraak

De rechtbank overweegt dat de centrale vraag in de procedure is of de schade voorzienbaar was. Beslissend daarbij is volgens de rechtbank of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat een redelijk denkend en handelend mens bij de beslissing tot investering daarmee rekening moest houden. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitsprak van de ABRvS van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0630. Daarbij moet rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor de voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft (ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3715).

Op basis van deze uitgangspunten overweegt de rechtbank dat X wordt verondersteld bekend te zijn geweest met de voor de luchthaven geldende geluidzone. De omvang van deze zone hangt niet alleen af van het aantal vliegtuigbewegingen, maar ook van het geluid dat een vliegtuig produceert en van het tijdstip waarop wordt gevlogen. Deze systematiek is al sinds 1979 in besluitvorming vastgelegd. De toegestane geluidruimte is bepalend voor de hoeveelheid geluid die een luchthaven mag produceren en niet het aantal vliegtuigbewegingen. De ten tijde van aankoop van de woningen voor de luchthaven Eindhoven geldende geluidzone normeert de grens van de geluidbelasting en die grens is nooit overschreden. Weliswaar vinden thans meer (civiele) vliegtuigbewegingen plaats dan voorheen, maar dat heeft te maken met het stiller worden van vliegtuigen, aldus de rechtbank. Binnen de geldende geluidzone kunnen dus heden ten dage meer vliegtuigbewegingen plaatsvinden dan voorheen het geval was, toen de afzonderlijke vliegtuigen meer geluid produceerden.

De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat de door X gestelde schade voor hem voorzienbaar was.

Share This