Bij uitspraak van 22 maart jl. heeft de Afdeling bepaald dat de belangen van appellante geen onteigening rechtvaardigen, zodat de minister een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht heeft mogen opleggen voor een hoogspanningsverbinding. Deze uitspraak is het vervolg op de uitspraak van  12 augustus 2015, waarin de Afdeling een eerder besluit van de minister tot het opleggen van een gedoogplicht aan appellante had vernietigd.

Wat was er aan de hand?
Appellante in kwestie is de beheerder van een pensionstal, manege en dressuurstal aan de rand van het recreatiegebied Spaarnwoude. De percelen waarop zij haar bedrijf uitoefent zijn in totaal ongeveer 61.952 m2. Ten behoeve van een hoogspanningsverbinding had de minister een gedoogplicht opgelegd voor het perceel C2312. Dit perceel wordt gebruikt voor het beweiden van paarden. De gedoogplicht heeft een verlies aan grond 4.369 m2 tot gevolg. Nu dit een relatief beperkt deel van het totale grondoppervlakte is, vorderen de belangen van appellante in zoverre geen onteigening. Dit sluit echter niet uit dat zich bijzondere omstandigheden voor kunnen doen, die wel tot de conclusie leiden dat onteigening is aangewezen. Door appellante was aangevoerd dat de hoogspanningsmasten leiden tot onverwacht optredend coronageluid dat kan leiden tot stress bij paarden, welke stress tot gevaarlijke situaties kan leiden. In de uitspraak van 12 augustus 2015 achtte de Afdeling de motivatie van de minister op dit punt ontoereikend en daarom vernietigde de Afdeling de opgelegde gedoogplicht. Vervolgens heeft de minister een nieuw besluit genomen op de aanvraag genomen en zich daarin, onder verwijzing naar een aantal rapporten, op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het coronageluid voor paarden er niet toe leiden dat de belangen redelijkerwijs onteigening vorderen. Uit deze rapporten volgde kennelijk dat paarden geen hinder van coronageluid ondervinden.

Hoe oordeelde de Afdeling?
De Afdeling oordeelde dat de minister in het nieuwe besluit voldoende heeft gemotiveerd, onder verwijzing naar de door hem genoemde rapporten, dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de belangen van appellante redelijkerwijs onteigening vorderen.

Wat heeft de praktijk aan deze uitspraak?
Zoals wij in onze blog van 3 maart 2017 inzake gedoogplichten op grond van de Waterwet uiteen hebben gezet, is de jurisprudentie inzake de vraag of een gedoogplicht mag worden opgelegd, relatief schaars. In die blog noemen wij een aantal uitspraken die zagen op het percentage verlies van grond en de vraag of dat verlies onteigening vorderde. Voor zowel gedoogplichten op grond van de Waterwet als op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht wordt gekeken naar de oppervlakte-eis. De onderhavige uitspraak laat zien dat naast het oppervlakteverlies ook gekeken dient te worden naar eventuele andere aanwezige bijzondere omstandigheden. Indien deze aanwezig zijn, dient goed gemotiveerd te worden waarom op grond van deze omstandigheden geen sprake is van belangen die redelijkerwijs onteigening vorderen.

Bronnen:
– AbRvS 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:752;
– AbRvS 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2592;
– Blog ‘De Afdeling over gedoogplicht versus onteigening en de schade door gedoogplichten’ van 3 maart 2017.

Share This