Diende het college van burgemeester en wethouders op handen zijnde wet- en regelgeving over gasloos bouwen te betrekken in de uitvoerbaarheidstoets bij een nieuw aan te leggen nieuwbouwwijk? In elk geval niet als de voorzieningen die nodig zijn om uiteindelijk toch gasloos te bouwen binnen de bestaande kaders alsnog kunnen worden gerealiseerd, zo bepaalde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 15 augustus 2018. Nog niet eerder deed de Afdeling uitspraak over gasloos bouwen in het kader van de Wet voortgang energietransitie (wet VET).

Nieuwbouw na de wet VET

Voor alle nieuwbouw waarvoor na 1 juli van dit jaar een omgevingsvergunning is aangevraagd, geldt de verplichting om aardgasloos te bouwen. Vanaf dat moment is immers de wet VET in werking getreden. Zie over de gevolgen van de Wet VET op de gebouwde omgeving ons eerdere blog ‘Transitie naar gasloze woningen in stroomversnelling’. Nieuwe bouwwerken mogen sindsdien alleen bij uitzondering nog op het aardgas worden aangesloten. Op grond van artikel 10 lid 7 van de Gaswet kan het college van burgemeester en wethouders in geval van ‘zwaarwegende redenen van algemeen belang’ een gebied aanwijzen waar de plicht tot aansluiting op het gastransportnet nog wel geldt. Bij ministeriële regeling is aan dit criterium nadere invulling gegeven. Zie hiervoor ons blog ‘Ministeriële regeling concretiseert de uitfasering van gas in de gebouwde omgeving’. Slechts enkele gemeenten hebben bouwondernemingen tot dusver ontheffing verleend van de plicht om aardgasloos te bouwen.

Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest (het college) stelt op 3 april 2018 het wijzigingsplan “Oranje Nassau, wijzigingsplan Duivenvoordestraat” gewijzigd vast. Daartegen stelt een drietal inwoners van Oegstgeest en een enkele stichting beroep in. Appellanten betogen dat het college bij het vaststellen van het wijzigingsplan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verplichting voor gasloos bouwen, conform de inmiddels in werking getreden wet VET. Gezien het maatschappelijk belang, de nationale verplichting aangegaan bij het Klimaatakkoord van Parijs en de zorgplicht van de gemeente en het college, dient de beoogde woonwijk met 50 grondgebonden woningen gasloos ontworpen en gebouwd te worden. Het huidige ontwerp van het wijzigingsplan voldoet hier niet aan, aldus appellanten.

De Afdeling legt deze beroepsgrond zo uit dat het college volgens appellanten het herstelplan niet heeft kunnen vaststellen, omdat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de – ten tijde van de vaststelling van het herstelbesluit nog niet in werking getreden – wetswijzigingen als gevolg van de wet VET in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de planperiode.

Mogelijke oplossingen om toch aan de gasloze nieuwbouw te voldoen, zullen volgens appellanten invloed hebben op het ontwerp van het wijzigingsplan. Het raakt de infrastructurele aspecten voor de aanleg van (elektriciteits)leidingen, een transformatorhuis zal herbezien moeten worden en met de komst van individuele warmtepompen zou ongeveer 1 à 2 vierkante meter buitenruimte gebruikt moet worden voor plaatsing van deze installaties. Dit zal mogelijk extra verharding van oppervlak betekenen, dat meegenomen moet worden in de watercompensatieberekening.

Mocht het college een nog op gas aangesloten nieuw te bouwen wijk toestaan?

De Afdeling stelt vast dat de wet VET in werking is getreden na bekendmaking van het herstelbesluit van 3 april 2018. Vervolgens laat zij in het midden in hoeverre in het kader van de uitvoerbaarheidstoets, met deze ten tijde van de vaststelling van het herstelbesluit van het college nog niet in werking getreden regelgeving rekening moest worden gehouden. Nu verder voor de Afdeling niet is komen vast te staan dat vóór 1 juli 2018 een dekkende aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen is ingediend voor de 50 woningen zoals deze worden beoogd, laat zij eveneens in het midden of de wet VET op deze aanvraag al van toepassing was. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten aannemen dat voorzieningen zoals elektriciteitsleidingen, een transformatorhuis en warmtepompinstallaties − die volgens appelanten nodig zijn ingeval van gasloos bouwen − niet zouden kunnen worden verwezenlijkt binnen het kader van het herstelplan zoals dat is vastgesteld.

Belang voor de praktijk

Kortom, in het kader van de uitvoerbaarheidstoets hoefde het college geen rekening te houden met wijzigingen van wet- en regelgeving waarvan op het moment van het nemen van het herstelbesluit zeker was dat deze in werking zou treden en op welk moment. De wet VET heeft alleen implicaties voor lopende nieuwbouwprojecten, wanneer duidelijk is dat een (dekkende) aanvraag daartoe vóór de inwerkingtreding van de wet VET is ingediend. Mogelijk speelde hierbij voor de Afdeling ook een rol, dat de voorzieningen die nodig zijn om uiteindelijk toch gasloos te bouwen binnen het kader van het herstelplan alsnog kunnen worden verwezenlijkt.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Share This